PassEveryTest

Oefenen voor het theorie-examen auto in Nederland 2026: Oefenexamen 8

Oefenexamen 8 van 8 voor Oefenen voor het theorie-examen auto in Nederland: 25 extra vragen met antwoorden en uitleg.

  • Rijbewijs
  • Nederland
  • 250 vragen
  • Gecontroleerd op 11 oktober 2026
  1. Vraag 1 van 25

    Mag je in EU-landen tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden om te bellen?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Nee, dat is in alle EU-landen verboden; alleen handsfree bellen kan toegestaan zijn

    Een mobiele telefoon gebruiken zonder handsfreeset tijdens het rijden is in elk EU-land verboden.

  2. Vraag 2 van 25

    Je nadert een rotonde met een bord voorrang verlenen bij de toerit. Wie heeft voorrang?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Verkeer dat al op de rotonde rijdt

    Als bij de toerit voorrang verlenen is aangegeven, gaat het verkeer dat al op de rotonde rijdt voor.

  3. Vraag 3 van 25

    Je ziet dat je verderop moet afremmen. Wat is de zuinigste manier?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Vroeg het gas loslaten en de auto in de versnelling laten uitrollen

    Afremmen in de versnelling maakt gebruik van de motorrem. Uitrollen in de vrijstand, vooral bergaf, is gevaarlijk en verspilt brandstof.

  4. Vraag 4 van 25

    Welke kant moet je vooral op kijken voordat je een rotonde oprijdt?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Naar links, waar het verkeer op de rotonde vandaan komt

    Het verkeer op de rotonde komt van links. Kijk dus naar links en rijd de rotonde pas op als het veilig is.

  5. Vraag 5 van 25

    Je rijdt ’s nachts achter een andere auto. Wat doe je met je koplampen?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Dimlicht gebruiken, zodat je de bestuurder voor je niet verblindt

    Grootlicht weerkaatst in de spiegels van de auto voor je en kan de bestuurder verblinden.

  6. Vraag 6 van 25

    Waarom gebruik je bij dichte mist dimlicht en geen grootlicht?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Grootlicht weerkaatst op de mist, waardoor je slechter ziet

    De mist kaatst sterk licht naar je terug. Dimlicht en mistlampen werken beter.

  7. Vraag 7 van 25

    Wat betekent dit bord?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Tunnel verderop

    Dit bord geeft een tunnel aan. Zet je dimlicht aan en houd een veilige afstand.

  8. Vraag 8 van 25

    Hoe rijd je een autosnelweg op?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Op de invoegstrook je snelheid aanpassen aan het verkeer en voorrang verlenen aan voertuigen die al op de autosnelweg rijden

    Voertuigen die al op de autosnelweg rijden, hebben voorrang. Gebruik de invoegstrook om een passende snelheid te bereiken en een opening te vinden.

  9. Vraag 9 van 25

    Een gewonde op de plaats van een ongeval vraagt om water. Wat moet je doen?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Hem niets te eten of te drinken geven

    Gewonden mogen niet eten of drinken, omdat ze misschien geopereerd moeten worden of zich kunnen verslikken.

  10. Vraag 10 van 25

    Wat betekent dit bord?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Helemaal niet stilstaan, ook niet even

    Het rode kruis op blauw betekent dat stilstaan niet is toegestaan, zelfs niet om een passagier af te zetten.

  11. Vraag 11 van 25

    Er is net een trein over de overweg gereden, maar de lichten knipperen nog. Wat moet je doen?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Blijven wachten, want er kan nog een trein aankomen

    Sommige ongevallen gebeuren doordat bestuurders oversteken net na de eerste trein en door een tweede worden geraakt.

  12. Vraag 12 van 25

    Je komt bij een kruispunt zonder borden, zonder verkeerslichten en zonder wegmarkeringen. Wie heeft voorrang?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Verkeer van rechts

    Waar niets is aangegeven, geldt op het Europese vasteland als algemene regel voorrang van rechts.

  13. Vraag 13 van 25

    Op een kruispunt met een voorrangsbord (voorrang verlenen) werken ook de verkeerslichten. Wat volg je?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. De verkeerslichten

    Werkende verkeerslichten gaan voor voorrangsborden. De borden gelden als de lichten uit zijn of geel knipperen.

  14. Vraag 14 van 25

    Waarom kan een trein niet stoppen om een auto op een overweg te ontwijken?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Door zijn hoge snelheid en gewicht heeft hij een zeer lange afstand nodig om te stoppen

    Treinen kunnen niet op tijd stoppen als een weggebruiker oversteekt terwijl ze naderen.

  15. Vraag 15 van 25

    Wat betekent dit bord?
    30ZONE
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Je rijdt een gebied in waar in alle straten een snelheidslimiet van 30 km/h geldt

    Een zonebord geldt voor elke straat in het gebied tot je het bord einde zone passeert.

  16. Vraag 16 van 25

    Wat betekent dit bord?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Einde van de autosnelweg

    De rode streep geeft het einde van de autosnelweg aan. De gewone verkeersregels en snelheidslimieten gelden weer.

  17. Vraag 17 van 25

    Welke informatie is het belangrijkst als je na een ongeval 112 belt?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. De precieze locatie, hoeveel mensen gewond zijn en hoe ernstig

    Geef de precieze plaats door, inclusief de rijrichting, en het aantal en de toestand van de gewonden, zodat de juiste hulp wordt gestuurd.

  18. Vraag 18 van 25

    Je rijdt vanaf een parkeerterrein of een uitrit de weg op. Wie heeft voorrang?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Alle weggebruikers op de weg, ook voetgangers en fietsers

    Een bestuurder die van een uitrit, parkeerterrein of onverharde weg komt, moet voorrang verlenen aan iedereen die al op de weg is.

  19. Vraag 19 van 25

    Je rijdt in de mist. Hoe snel moet je rijden?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Zo langzaam dat je kunt stoppen binnen de afstand die je kunt overzien

    Rijd altijd zo dat je kunt stoppen binnen de afstand die je vrij kunt overzien.

  20. Vraag 20 van 25

    Je arts schrijft je een nieuw geneesmiddel voor. Wat moet je doen voordat je gaat rijden?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. De bijsluiter lezen of vragen of het je rijvaardigheid kan beïnvloeden

    Sommige voorgeschreven geneesmiddelen beïnvloeden de rijvaardigheid en vergroten het risico op een ongeval. Controleer dit voordat je gaat rijden.

  21. Vraag 21 van 25

    Waarom raken voetgangers bij aanrijdingen zo zwaar gewond?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ze hebben geen bescherming tegen de snelheid en het gewicht van een voertuig

    Voetgangers zijn kwetsbare weggebruikers en lijden bij ongevallen de ernstigste gevolgen.

  22. Vraag 22 van 25

    Hoe helpt ver vooruitkijken en anticiperen op het verkeer bij zuinig rijden?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Je vermijdt onnodig remmen en optrekken

    Door te anticiperen kun je een gelijkmatige snelheid aanhouden. Dat bespaart brandstof en verkleint het risico op een ongeval.

  23. Vraag 23 van 25

    Wat betekent dit bord?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Gevaarlijke bocht naar rechts

    Een gebogen pijl in een gevarendriehoek waarschuwt voor een bocht. Rem af vóór de bocht, niet erin.

  24. Vraag 24 van 25

    Wat betekent dit bord?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Verkeerslichten verderop

    Dit bord waarschuwt voor verkeerslichten die je misschien niet op tijd ziet, bijvoorbeeld na een bocht.

  25. Vraag 25 van 25

    In sommige landen, zoals Duitsland en Polen, moeten bestuurders een reddingsstrook (vrije doorgang voor hulpdiensten) vormen. Wanneer moet dat?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Zodra het verkeer stapvoets gaat rijden of stilstaat, ook voordat je sirenes hoort

    De reddingsstrook moet vroeg worden gevormd, zodat hulpvoertuigen een ongeval snel kunnen bereiken. Controleer de regels van elk land waar je rijdt.

Gerelateerde examens