PassEveryTest

Oefenen voor het theorie-examen auto in Nederland 2026: Oefenexamen 2

Oefenexamen 2 van 8 voor Oefenen voor het theorie-examen auto in Nederland: 25 extra vragen met antwoorden en uitleg.

  • Rijbewijs
  • Nederland
  • 250 vragen
  • Gecontroleerd op 11 oktober 2026
  1. Vraag 1 van 25

    Wat is op de meeste Nederlandse autosnelwegen de maximumsnelheid overdag (06.00 tot 19.00 uur)?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. 100 km/h

    Op de meeste autosnelwegen geldt van 06.00 tot 19.00 uur 100 km/h. Borden geven aan als er een andere snelheid geldt.

  2. Vraag 2 van 25

    Wat is de maximumsnelheid voor een auto met een aanhangwagen tot 3.500 kg?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. 90 km/h

    Auto’s en bestelauto’s met een aanhangwagen mogen tot 90 km/h rijden, tenzij er een lagere maximumsnelheid geldt.

  3. Vraag 3 van 25

    Wat is de maximumsnelheid op een erf (woonerf)?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. 15 km/h

    Op een erf mogen bestuurders niet harder rijden dan 15 km/h.

  4. Vraag 4 van 25

    Matrixborden boven de autosnelweg geven voor jouw rijstrook twee verschillende maximumsnelheden aan. Welke geldt?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. De laagste

    Als snelheidsborden elkaar tegenspreken, geldt de laagste aangegeven snelheid.

  5. Vraag 5 van 25

    Welke voertuigen mogen op een autosnelweg rijden?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Alleen voertuigen die harder kunnen dan 60 km/h

    Autosnelwegen zijn alleen voor voertuigen die harder kunnen rijden dan 60 km/h.

  6. Vraag 6 van 25

    Wie heeft voorrang op een kruispunt zonder borden of wegmarkeringen?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Verkeer van rechts, ook fietsers

    Op kruispunten zonder borden geef je voorrang aan verkeer van rechts. Dat geldt ook voor fietsers en bromfietsers.

  7. Vraag 7 van 25

    Op een kruispunt van gelijkwaardige wegen nadert een tram van links. Wie gaat eerst?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. De tram

    Alle bestuurders moeten op kruispunten voorrang geven aan trams, ook als de tram van links komt.

  8. Vraag 8 van 25

    Je rijdt op een onverharde weg die uitkomt op een verharde weg. Wie heeft voorrang?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Verkeer op de verharde weg

    Bestuurders op een onverharde weg moeten voorrang verlenen aan bestuurders op een verharde weg.

  9. Vraag 9 van 25

    Je slaat rechtsaf. Een fietser op het fietspad rechts van je gaat rechtdoor. Wat doe je?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. De fietser eerst laten passeren

    Afslaande bestuurders moeten voertuigen die naast hen rechtdoor gaan laten voorgaan, ook fietsers.

  10. Vraag 10 van 25

    Je slaat op een kruispunt linksaf. Een tegemoetkomende auto slaat rechtsaf dezelfde weg in. Wie gaat eerst?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. De tegemoetkomende auto die rechtsaf slaat

    Bestuurders die linksaf slaan, moeten tegemoetkomende bestuurders die op hetzelfde kruispunt rechtsaf slaan voor laten gaan.

  11. Vraag 11 van 25

    Een begrafenisstoet van motorvoertuigen steekt een kruispunt over. Wat zegt de wet?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Je mag er niet doorheen rijden

    Weggebruikers mogen niet door militaire colonnes of begrafenisstoeten van motorvoertuigen heen rijden.

  12. Vraag 12 van 25

    Je rijdt vanuit een uitrit of vanaf een parkeerterrein de weg op. Wie heeft voorrang?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Al het andere verkeer op de weg

    Een uitrit verlaten is een bijzondere manoeuvre. Je moet al het andere verkeer voor laten gaan.

  13. Vraag 13 van 25

    Je nadert een rij witte driehoeken (haaientanden) dwars over je rijstrook. Wat moet je doen?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Voorrang verlenen aan verkeer op de weg die je oprijdt

    Haaientanden betekenen dat je voorrang verleent aan verkeer van zowel links als rechts, ook aan fietsers.

  14. Vraag 14 van 25

    Binnen de bebouwde kom geeft een bus aan dat hij van een halte wil wegrijden. Wat doe je?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. De bus de ruimte geven om weg te rijden

    Binnen de bebouwde kom moet je een bus die richting aangeeft van de halte laten wegrijden.

  15. Vraag 15 van 25

    Er komt een ambulance aan met blauw zwaailicht en een tweetonige hoorn. Wat moet je doen?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Voorrang geven en op een veilige manier ruimte maken

    Weggebruikers moeten hulpdiensten met blauw zwaailicht en een tweetonige hoorn altijd voorrang geven.

  16. Vraag 16 van 25

    Iemand met een witte stok wil voor je de weg oversteken. Wat doe je?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Altijd voorrang geven

    Bestuurders moeten blinde of slechtziende voetgangers met een witte stok altijd voorrang geven.

  17. Vraag 17 van 25

    Een voetganger staat duidelijk te wachten om over te steken bij een zebrapad. Wat moet je doen?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. De voetganger laten oversteken

    Je moet voetgangers voor laten gaan die op een zebrapad oversteken of duidelijk wachten om over te steken.

  18. Vraag 18 van 25

    Je rijdt langs een stilstaande tram aan de kant waar passagiers in- en uitstappen. Wat doe je?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. De passagiers voor laten gaan

    Als je langs een stilstaande bus of tram rijdt aan de instapkant, moet je passagiers voor laten gaan.

  19. Vraag 19 van 25

    Wanneer mag je een overweg oprijden?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Alleen als je er helemaal overheen kunt rijden

    Je mag een overweg alleen oprijden als je er helemaal overheen kunt rijden. Treinen en trams gaan altijd voor.

  20. Vraag 20 van 25

    Waar op de weg moet je in Nederland rijden?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Zo veel mogelijk rechts

    Bestuurders moeten zo veel mogelijk rechts houden.

  21. Vraag 21 van 25

    Aan welke kant haal je normaal in?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Links

    Inhalen doe je links.

  22. Vraag 22 van 25

    Wanneer mag je een auto rechts inhalen?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Als hij heeft aangegeven linksaf te gaan

    Een bestuurder die heeft aangegeven linksaf te gaan, mag je rechts inhalen.

  23. Vraag 23 van 25

    Aan welke kant mag je een rijdende tram inhalen?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Rechts

    Bestuurders mogen trams rechts inhalen.

  24. Vraag 24 van 25

    Mag je een voertuig inhalen vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Nee, dat is verboden

    Inhalen vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats is niet toegestaan.

  25. Vraag 25 van 25

    Midden op de weg staat een doorgetrokken witte streep. Wat betekent dat?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Je mag er niet overheen

    Over een doorgetrokken streep die niet langs de rand van de weg loopt, mag je niet heen rijden.

Gerelateerde examens