Basic Dutch in 10 Days: My day, Work and jobs and Free time

Themaquiz zonder tijdslimiet: 30 vragen over My day, Work and jobs and Free time, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.

  • Cursus
  • Nederland
  • 300 vragen
  • Gecontroleerd op 13 oktober 2026
  • Taalkundig nagekeken op 13 oktober 2026
Begin met de lessenBasic Dutch: 30 Lessons: ongeveer 750 minuten leestijd. Elke testvraag wordt in de lessen behandeld.

Dag 6: My day, Work and jobs and Free time

  1. Vraag 1 van 30

    What does “Ik ontbijt om zeven uur” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. I have breakfast at seven.

    Ontbijten means to have breakfast. Get up is opstaan, and go to bed is naar bed gaan.

  2. Vraag 2 van 30

    Choose the correct form: Jij ___ in Rotterdam. (wonen)
    Toon antwoord

    Antwoord: B. woont

    With jij in a statement, add -t to the stem: jij woont. The stem keeps the long vowel: woon.

  3. Vraag 3 van 30

    Fill the gap: Wij ___ Nederlands. (leren)
    Toon antwoord

    Antwoord: B. leren

    With wij, jullie and zij (they), the verb looks like the infinitive: wij leren.

  4. Vraag 4 van 30

    Choose the correct form: Ik ___ in een café. (zitten)
    Toon antwoord

    Antwoord: C. zit

    Remove -en to get the stem, and write a double consonant as one at the end: zitten → ik zit.

  5. Vraag 5 van 30

    Which question is correct?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Werk jij morgen?

    In a question the verb comes first. When jij comes after the verb, the verb drops its -t: werk jij?

  6. Vraag 6 van 30

    Which sentence has the correct word order?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. ’s Avonds kook ik.

    In a Dutch statement the verb is second. After a time word like ’s avonds, the subject comes after the verb.

  7. Vraag 7 van 30

    How do you say “I get up at seven o’clock”?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Ik sta om zeven uur op.

    Opstaan is a two-part verb. The verb sta is in second place and the small part op goes to the end.

  8. Vraag 8 van 30

    Listen. When does the speaker get up?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ik sta om half zeven op. Dan ontbijt ik.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. 6:30

    Half zeven means half an hour before seven, so 6:30. Dutch counts half towards the next hour.

    Transcript

    Ik sta om half zeven op. Dan ontbijt ik.

  9. Vraag 9 van 30

    Listen. When does Bram work?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Sanne: Wanneer werk jij?
    Bram: Ik werk van acht tot vier.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. From 8 to 4

    Bram says ik werk van acht tot vier: I work from eight to four.

    Transcript

    Sanne: Wanneer werk jij?
    Bram: Ik werk van acht tot vier.

  10. Vraag 10 van 30

    Read the text. What does Lotte do in the evening?

    Hoi! Ik heet Lotte. Ik woon in Utrecht. Ik sta om zes uur op en drink koffie. Ik werk van zeven tot drie uur. ’s Avonds kook ik en lees ik een boek.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. She cooks and reads a book.

    The text says ’s avonds kook ik en lees ik een boek: in the evening she cooks and reads a book.

  11. Vraag 11 van 30

    What does “de kok” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. the cook

    De kok is the cook. The kitchen is de keuken and the baker is de bakker.

  12. Vraag 12 van 30

    Which sentence is the usual way to say “I am a teacher”?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Ik ben leraar.

    To say your job, use ben (from zijn) with no article: Ik ben leraar. Ik ben de leraar means I am the teacher.

  13. Vraag 13 van 30

    Choose the correct form: Hij ___ een nieuwe baan.
    Toon antwoord

    Antwoord: A. heeft

    Hebben is irregular. With hij, zij and het the form is heeft.

  14. Vraag 14 van 30

    Fill the gap: Wij ___ vandaag vrij.
    Toon antwoord

    Antwoord: B. hebben

    With wij, jullie and zij (they), use the full form hebben: wij hebben vandaag vrij.

  15. Vraag 15 van 30

    Fill the gap: ___ jij een auto?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Heb

    When jij comes after the verb, drop the -t: Heb jij een auto?

  16. Vraag 16 van 30

    Fill the gap: Ik werk ___ een bank.
    Toon antwoord

    Antwoord: B. bij

    Use bij with a company or employer: Ik werk bij een bank.

  17. Vraag 17 van 30

    Your colleague asks: “Wat doe je voor werk?” Which reply fits?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Ik ben kok in een restaurant.

    The question asks about your job, so you answer with a job: Ik ben kok (I am a cook).

  18. Vraag 18 van 30

    Listen. What is Fleur’s job?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Daan: Wat doe jij voor werk, Fleur?
    Fleur: Ik ben verpleegkundige. Ik werk in een ziekenhuis.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. nurse

    Fleur says ik ben verpleegkundige: I am a nurse. She works in a hospital (een ziekenhuis).

    Transcript

    Daan: Wat doe jij voor werk, Fleur?
    Fleur: Ik ben verpleegkundige. Ik werk in een ziekenhuis.

  19. Vraag 19 van 30

    Listen. What does the speaker say about today?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ik werk bij een bank. Maar vandaag heb ik vrij.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. The speaker has the day off.

    Vandaag heb ik vrij means today I have the day off. Vrij hebben means to be free from work.

    Transcript

    Ik werk bij een bank. Maar vandaag heb ik vrij.

  20. Vraag 20 van 30

    Read the job ad. When does the cook work?

    Vacature: kok (parttime)
    Restaurant De Molen in Haarlem zoekt een kok.
    Werktijden: woensdag tot en met zaterdag, van 16.00 tot 22.00 uur.
    Interesse? Bel of mail Petra.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. Wednesday to Saturday, 4 p.m. to 10 p.m.

    Woensdag tot en met zaterdag means Wednesday up to and including Saturday, and 16.00 to 22.00 is 4 p.m. to 10 p.m.

  21. Vraag 21 van 30

    What does “Ik lees graag” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. I like reading.

    Graag after a verb means you like doing it: ik lees graag = I like reading.

  22. Vraag 22 van 30

    What does “Ik hou van muziek” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. I love music.

    Houden van means to love or really like. Houden alone can mean to hold, but with van it means love.

  23. Vraag 23 van 30

    Which sentence is correct?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ik zwem graag.

    Graag comes right after the verb: ik zwem graag.

  24. Vraag 24 van 30

    How do you say “I don’t like cooking”?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ik kook niet graag.

    Put niet before graag, after the verb: ik kook niet graag. Geen is used with nouns, not here.

  25. Vraag 25 van 30

    Fill the gap: Ik vind fietsen ___.
    Toon antwoord

    Antwoord: C. leuk

    Use leuk with vinden: Ik vind fietsen leuk = I like cycling (I find cycling fun).

  26. Vraag 26 van 30

    Fill the gap: Ik hou ___ voetbal.
    Toon antwoord

    Antwoord: C. van

    The verb is houden van: ik hou van voetbal (I love soccer).

  27. Vraag 27 van 30

    Sanne says: “Ik speel graag tennis.” You like tennis too. What do you say?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Ik ook!

    Ik ook! means me too. Ik niet means I don’t, and Ja, graag means yes, please.

  28. Vraag 28 van 30

    Listen. What does Ruben like to do?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Emma: Wat doe je in je vrije tijd, Ruben?
    Ruben: Ik fiets graag. En ik speel gitaar.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. Cycling and playing the guitar

    Ruben says ik fiets graag (I like cycling) and ik speel gitaar (I play the guitar).

    Transcript

    Emma: Wat doe je in je vrije tijd, Ruben?
    Ruben: Ik fiets graag. En ik speel gitaar.

  29. Vraag 29 van 30

    Listen. What does the speaker NOT like?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ik vind lezen leuk. Maar ik vind tv kijken niet leuk.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. watching TV

    Niet leuk means not fun. The speaker likes reading (lezen) but does not like watching TV (tv kijken).

    Transcript

    Ik vind lezen leuk. Maar ik vind tv kijken niet leuk.

  30. Vraag 30 van 30

    Read the text. What does Joris do on Saturday?

    Mijn naam is Joris. In mijn vrije tijd sport ik graag. Ik zwem op maandag en ik voetbal op zaterdag. Ik lees niet graag, maar ik hou van films.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. He plays soccer.

    The text says ik voetbal op zaterdag: on Saturday he plays soccer. He swims on Monday.

Andere plannen voor deze cursus