Basic Dutch in 15 Days: Home and Food and drink

Themaquiz zonder tijdslimiet: 20 vragen over Home and Food and drink, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.

  • Cursus
  • Nederland
  • 300 vragen
  • Gecontroleerd op 13 oktober 2026
  • Taalkundig nagekeken op 13 oktober 2026
Begin met de lessenBasic Dutch: 30 Lessons: ongeveer 750 minuten leestijd. Elke testvraag wordt in de lessen behandeld.

Dag 5: Home and Food and drink

  1. Vraag 1 van 20

    What is “de keuken”?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. the kitchen

    De keuken is the kitchen. It is not a cake: cake is taart or cake in Dutch.

  2. Vraag 2 van 20

    In which room do you usually sleep?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. de slaapkamer

    Slapen means “to sleep”, so de slaapkamer is the bedroom.

  3. Vraag 3 van 20

    Complete: “Er ___ twee badkamers.”
    Toon antwoord

    Antwoord: C. zijn

    Use er zijn for more than one thing: Er zijn twee badkamers.

  4. Vraag 4 van 20

    Complete: “Er ___ een tuin.”
    Toon antwoord

    Antwoord: A. is

    Use er is for one thing: Er is een tuin.

  5. Vraag 5 van 20

    In a living room, what is “de bank”?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. the sofa

    In a home, de bank is the sofa. The same word also means a bank for money.

  6. Vraag 6 van 20

    What is the plural of “de stoel”?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. de stoelen

    Most nouns add -en in the plural: stoel → stoelen. All plurals use de.

  7. Vraag 7 van 20

    Choose the correct question: “Is there a balcony?”
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Is er een balkon?

    In a question, the verb comes first: Is er een balkon? Use is (not zijn) for one thing.

  8. Vraag 8 van 20

    Read the text. Which sentence is true?

    Ik woon in een klein appartement in Utrecht. Er zijn twee slaapkamers, een woonkamer, een keuken en een badkamer. Er is een balkon, maar er is geen tuin.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. There is no garden.

    The text says “er is geen tuin”: there is no garden. There is a balcony and the apartment is small.

  9. Vraag 9 van 20

    Listen. How many bedrooms are there?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ons huis heeft drie kamers: een woonkamer en twee slaapkamers. Er is ook een keuken.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. Two

    Twee slaapkamers = two bedrooms. In Dutch, kamers counts the living room and the bedrooms, not the kitchen: three rooms in total.

    Transcript

    Ons huis heeft drie kamers: een woonkamer en twee slaapkamers. Er is ook een keuken.

  10. Vraag 10 van 20

    Listen. What does the home have?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Mark: Is er een tuin?
    Lisa: Nee, maar er is een groot balkon.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. A big balcony

    Lisa says nee (no garden), “maar er is een groot balkon”: but there is a big balcony.

    Transcript

    Mark: Is er een tuin?
    Lisa: Nee, maar er is een groot balkon.

  11. Vraag 11 van 20

    What is “de kaas”?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. the cheese

    De kaas is the cheese. Bread is het brood.

  12. Vraag 12 van 20

    Which article goes with “brood”?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. het

    Brood is a het-word: het brood. Learn every noun with its article.

  13. Vraag 13 van 20

    What is the plural of “het ei”?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. de eieren

    Ei has an irregular plural: eieren. All plurals use de.

  14. Vraag 14 van 20

    What is the plural of “de banaan”?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. de bananen

    Banaan adds -en. The long a keeps its sound with one letter: ba-na-nen.

  15. Vraag 15 van 20

    What is the plural of “het broodje”?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. de broodjes

    Words that end in -je add -s: broodjes. Plurals always use de.

  16. Vraag 16 van 20

    Choose the correct sentence: “I am hungry.”
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Ik heb honger.

    Dutch uses hebben for hunger: Ik heb honger (I have hunger).

  17. Vraag 17 van 20

    Complete: “Ik drink ___ thee.” (I like drinking tea.)
    Toon antwoord

    Antwoord: A. graag

    Graag after the verb means you like doing it: Ik drink graag thee.

  18. Vraag 18 van 20

    Listen. What does the speaker eat?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ik eet geen vlees, maar ik eet wel vis.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. Fish, but not meat

    Geen vlees = no meat. “Maar ik eet wel vis” = but I do eat fish.

    Transcript

    Ik eet geen vlees, maar ik eet wel vis.

  19. Vraag 19 van 20

    Listen. What does Daan want?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Sara: Wil je koffie?
    Daan: Nee, dank je. Ik heb dorst. Mag ik een glas water?

    Toon antwoord

    Antwoord: A. A glass of water

    Daan says no to coffee. He is thirsty (Ik heb dorst) and asks for een glas water.

    Transcript

    Sara: Wil je koffie?
    Daan: Nee, dank je. Ik heb dorst. Mag ik een glas water?

  20. Vraag 20 van 20

    Read the shopping list. Which drink is on the list?

    Boodschappenlijst
    - 1 brood
    - kaas
    - 6 eieren
    - 1 liter melk
    - 4 appels
    - groente

    Toon antwoord

    Antwoord: B. Milk

    “1 liter melk”: milk is the only drink on the list.

Andere plannen voor deze cursus