Basic Dutch in 15 Days: Phone and appointments and Asking questions
Themaquiz zonder tijdslimiet: 20 vragen over Phone and appointments and Asking questions, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.
Dag 11: Phone and appointments and Asking questions
-
Vraag 1 van 20
Toon antwoord
Antwoord: B. an appointment
Een afspraak is an appointment. Een afspraak maken means to make an appointment.
-
Vraag 2 van 20
Toon antwoord
Antwoord: C. Met Anna Bakker.
Dutch speakers often answer the phone with Met and their name: Met Anna Bakker.
-
Vraag 3 van 20
Toon antwoord
Antwoord: A. Ik wil graag een afspraak maken.
Dutch says een afspraak maken. Graag comes after wil, and the infinitive maken goes to the end.
-
Vraag 4 van 20
Toon antwoord
Antwoord: C. herhalen
After kunt u, the second verb is an infinitive at the end: Kunt u dat herhalen?
-
Vraag 5 van 20
Toon antwoord
Antwoord: A. om
Use om for a clock time: om tien uur (at ten o’clock). Use op for a day: op maandag.
-
Vraag 6 van 20
Toon antwoord
Antwoord: D. Ja, dat is goed.
Ja, dat is goed means yes, that’s fine. It accepts the day and time.
-
Vraag 7 van 20
Toon antwoord
Antwoord: A. I want to cancel my appointment.
Afzeggen means to cancel. To move an appointment is verzetten, and to make one is maken.
-
Vraag 8 van 20
Toon antwoord
Antwoord: A. Friday at 10:30
Vrijdag is Friday. Half elf means half an hour before eleven: 10:30.
Transcript
Assistent: Kan het op vrijdag om half elf?
Meneer Smit: Ja, dat is goed. Tot dan! -
Vraag 9 van 20
Toon antwoord
Antwoord: B. To cancel tomorrow’s appointment
Eva says ik wil mijn afspraak van morgen afzeggen: I want to cancel my appointment for tomorrow. She is sick.
Transcript
Goedemiddag, u spreekt met Eva Mulder. Ik ben ziek. Ik wil mijn afspraak van morgen afzeggen.
-
Vraag 10 van 20
Toon antwoord
Antwoord: B. Tuesday 14 May at 9:15
Dinsdag is Tuesday and 9.15 uur is 9:15 in the morning. Dutch often writes times with a full stop.
-
Vraag 11 van 20
Toon antwoord
Antwoord: B. why
Waarom means why. Waar is where, wanneer is when and wie is who.
-
Vraag 12 van 20
Toon antwoord
Antwoord: D. wanneer
Wanneer means when: Wanneer begint de les? (When does the lesson start?)
-
Vraag 13 van 20
Toon antwoord
Antwoord: D. Woon je in Delft?
Put the verb first. When je comes after the verb, the -t goes: Woon je in Delft?
-
Vraag 14 van 20
Toon antwoord
Antwoord: D. Wanneer begint de film?
After a question word, the verb comes next, then the subject: Wanneer begint de film?
-
Vraag 15 van 20
Toon antwoord
Antwoord: C. Welke
Trein is a de-word, so use welke. Welk is only for a singular het-word, like welk huis.
-
Vraag 16 van 20
Toon antwoord
Antwoord: A. vandaan
Waar ... vandaan means where ... from: Waar kom je vandaan? (Where are you from?)
-
Vraag 17 van 20
Toon antwoord
Antwoord: B. Hoeveel kost het?
The answer is a price, so the question uses hoeveel (how much): Hoeveel kost het?
-
Vraag 18 van 20
Toon antwoord
Antwoord: A. In Rotterdam.
Waar woon je? means where do you live? You answer with a place: In Rotterdam.
Transcript
Waar woon je?
-
Vraag 19 van 20
Toon antwoord
Antwoord: A. Which bus goes to the station
Welke means which. Bram asks which bus goes to the station.
Transcript
Bram: Pardon, welke bus gaat naar het station?
-
Vraag 20 van 20
Toon antwoord
Antwoord: B. 9:00
Anouk asks hoe laat begint de les? (what time does the lesson start?) and the teacher says om negen uur: at nine o’clock.
Transcript
Anouk: Hoe laat begint de les?
Leraar: Om negen uur.
Toetsenbord: 1–4 om te antwoorden, Enter voor de volgende vraag.