Basic Dutch in 15 Days: Phone and appointments and Asking questions

Themaquiz zonder tijdslimiet: 20 vragen over Phone and appointments and Asking questions, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.

  • Cursus
  • Nederland
  • 300 vragen
  • Gecontroleerd op 13 oktober 2026
  • Taalkundig nagekeken op 13 oktober 2026
Begin met de lessenBasic Dutch: 30 Lessons: ongeveer 750 minuten leestijd. Elke testvraag wordt in de lessen behandeld.

Dag 11: Phone and appointments and Asking questions

  1. Vraag 1 van 20

    What does “een afspraak” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. an appointment

    Een afspraak is an appointment. Een afspraak maken means to make an appointment.

  2. Vraag 2 van 20

    You answer the phone. What do Dutch speakers often say?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Met Anna Bakker.

    Dutch speakers often answer the phone with Met and their name: Met Anna Bakker.

  3. Vraag 3 van 20

    How do you say “I would like to make an appointment”?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Ik wil graag een afspraak maken.

    Dutch says een afspraak maken. Graag comes after wil, and the infinitive maken goes to the end.

  4. Vraag 4 van 20

    Fill the gap: Kunt u dat ___? (Could you repeat that?)
    Toon antwoord

    Antwoord: C. herhalen

    After kunt u, the second verb is an infinitive at the end: Kunt u dat herhalen?

  5. Vraag 5 van 20

    Fill the gap: Is maandag ___ tien uur goed?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. om

    Use om for a clock time: om tien uur (at ten o’clock). Use op for a day: op maandag.

  6. Vraag 6 van 20

    The receptionist asks: “Is woensdag om drie uur goed?” You can come. What do you say?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Ja, dat is goed.

    Ja, dat is goed means yes, that’s fine. It accepts the day and time.

  7. Vraag 7 van 20

    What does “Ik wil mijn afspraak afzeggen” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. I want to cancel my appointment.

    Afzeggen means to cancel. To move an appointment is verzetten, and to make one is maken.

  8. Vraag 8 van 20

    Listen. When is the appointment?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Assistent: Kan het op vrijdag om half elf?
    Meneer Smit: Ja, dat is goed. Tot dan!

    Toon antwoord

    Antwoord: A. Friday at 10:30

    Vrijdag is Friday. Half elf means half an hour before eleven: 10:30.

    Transcript

    Assistent: Kan het op vrijdag om half elf?
    Meneer Smit: Ja, dat is goed. Tot dan!

  9. Vraag 9 van 20

    Listen. What does the caller want?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Goedemiddag, u spreekt met Eva Mulder. Ik ben ziek. Ik wil mijn afspraak van morgen afzeggen.

    Toon antwoord

    Antwoord: B. To cancel tomorrow’s appointment

    Eva says ik wil mijn afspraak van morgen afzeggen: I want to cancel my appointment for tomorrow. She is sick.

    Transcript

    Goedemiddag, u spreekt met Eva Mulder. Ik ben ziek. Ik wil mijn afspraak van morgen afzeggen.

  10. Vraag 10 van 20

    Read the message. When is the appointment?

    Hallo meneer De Wit, u heeft een afspraak bij de tandarts op dinsdag 14 mei om 9.15 uur. Kunt u niet komen? Bel ons dan. Tandartspraktijk Zonnehof

    Toon antwoord

    Antwoord: B. Tuesday 14 May at 9:15

    Dinsdag is Tuesday and 9.15 uur is 9:15 in the morning. Dutch often writes times with a full stop.

  11. Vraag 11 van 20

    What does “waarom” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. why

    Waarom means why. Waar is where, wanneer is when and wie is who.

  12. Vraag 12 van 20

    Which question word means “when”?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. wanneer

    Wanneer means when: Wanneer begint de les? (When does the lesson start?)

  13. Vraag 13 van 20

    Make a yes/no question from “Je woont in Delft.”
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Woon je in Delft?

    Put the verb first. When je comes after the verb, the -t goes: Woon je in Delft?

  14. Vraag 14 van 20

    Which question has the correct word order?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Wanneer begint de film?

    After a question word, the verb comes next, then the subject: Wanneer begint de film?

  15. Vraag 15 van 20

    Fill the gap: ___ trein gaat naar Amsterdam?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Welke

    Trein is a de-word, so use welke. Welk is only for a singular het-word, like welk huis.

  16. Vraag 16 van 20

    Fill the gap: Waar kom je ___?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. vandaan

    Waar ... vandaan means where ... from: Waar kom je vandaan? (Where are you from?)

  17. Vraag 17 van 20

    A: “___?” B: “Het kost drie euro.” Which question fits?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Hoeveel kost het?

    The answer is a price, so the question uses hoeveel (how much): Hoeveel kost het?

  18. Vraag 18 van 20

    Listen to the question. Which answer fits?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Waar woon je?

    Toon antwoord

    Antwoord: A. In Rotterdam.

    Waar woon je? means where do you live? You answer with a place: In Rotterdam.

    Transcript

    Waar woon je?

  19. Vraag 19 van 20

    Listen. What does Bram want to know?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Bram: Pardon, welke bus gaat naar het station?

    Toon antwoord

    Antwoord: A. Which bus goes to the station

    Welke means which. Bram asks which bus goes to the station.

    Transcript

    Bram: Pardon, welke bus gaat naar het station?

  20. Vraag 20 van 20

    Listen. What time does the lesson start?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Anouk: Hoe laat begint de les?
    Leraar: Om negen uur.

    Toon antwoord

    Antwoord: B. 9:00

    Anouk asks hoe laat begint de les? (what time does the lesson start?) and the teacher says om negen uur: at nine o’clock.

    Transcript

    Anouk: Hoe laat begint de les?
    Leraar: Om negen uur.

Andere plannen voor deze cursus