Basic Dutch in 10 Days: Family, Describing people and Home

Themenquiz ohne Zeitlimit: 30 Fragen zu Family, Describing people and Home, mit einer Erklärung nach jeder Antwort. Fragen und Antworten werden jedes Mal neu gemischt.

  • Kurs
  • Niederlande
  • 300 Fragen
  • Geprüft am 13. Oktober 2026
  • Sprachlich geprüft am 13. Oktober 2026
Beginnen Sie mit den LektionenBasic Dutch: 30 Lessons: etwa 750 Minuten Lesezeit. Jede Testfrage wird in den Lektionen behandelt.

Tag 3: Family, Describing people and Home

  1. Frage 1 von 30

    What does “de zus” mean?
    Antwort anzeigen

    Antwort: C. the sister

    De zus is the sister. The brother is de broer and the son is de zoon.

  2. Frage 2 von 30

    What is the plural of “het kind”?
    Antwort anzeigen

    Antwort: B. de kinderen

    Kind has an irregular plural: kinderen. All plurals use de.

  3. Frage 3 von 30

    Complete: “Dit is ___ moeder.” (my)
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. mijn

    My is mijn: mijn moeder. Mij means “me”.

  4. Frage 4 von 30

    Complete: “Anna woont in Delft. ___ broer woont in Gouda.”
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. Haar

    Anna is a woman, so “her brother” is haar broer. Zijn means “his”.

  5. Frage 5 von 30

    Choose the correct phrase.
    Antwort anzeigen

    Antwort: B. onze kinderen

    Use onze before plurals and de-words, and ons before a singular het-word: ons kind, onze kinderen.

  6. Frage 6 von 30

    Choose the correct sentence: “I don’t have any children.”
    Antwort anzeigen

    Antwort: D. Ik heb geen kinderen.

    Use geen (no, not any) before a noun: Ik heb geen kinderen.

  7. Frage 7 von 30

    Your mother’s brother is your …
    Antwort anzeigen

    Antwort: C. oom

    Your parent’s brother is your oom (uncle). Tante is aunt.

  8. Frage 8 von 30

    Listen. How many sisters does the speaker have?
    Hören Sie zu und antworten Sie dann. Das Transkript erscheint nach Ihrer Antwort.
    Kein Ton? Lesen Sie den Text

    Ik heb een broer en twee zussen.

    Antwort anzeigen

    Antwort: B. Two

    Twee zussen = two sisters. The speaker also has een broer (one brother).

    Transkript

    Ik heb een broer en twee zussen.

  9. Frage 9 von 30

    Listen. Which sentence is true?
    Hören Sie zu und antworten Sie dann. Das Transkript erscheint nach Ihrer Antwort.
    Kein Ton? Lesen Sie den Text

    Eva: Ben je getrouwd?
    Ali: Ja. Mijn vrouw heet Sara. We hebben een dochter.

    Antwort anzeigen

    Antwort: C. Ali has a daughter.

    Ali says “We hebben een dochter” (we have a daughter). Sara is his wife (vrouw).

    Transkript

    Eva: Ben je getrouwd?
    Ali: Ja. Mijn vrouw heet Sara. We hebben een dochter.

  10. Frage 10 von 30

    Read the text. Who lives in Gent?

    Dit is mijn familie. Mijn vader heet Kees en mijn moeder heet Ineke. Ik heb een zus, Lies. Zij woont in Gent met haar man en hun twee kinderen.

    Antwort anzeigen

    Antwort: B. The writer’s sister and her family

    “Zij woont in Gent” is about Lies, the writer’s sister. She lives there with her husband and their two children.

  11. Frage 11 von 30

    What does “aardig” mean?
    Antwort anzeigen

    Antwort: D. kind, nice

    Aardig means kind or nice: Ze is erg aardig.

  12. Frage 12 von 30

    Complete: “De vrouw is ___.” (young)
    Antwort anzeigen

    Antwort: B. jong

    After a verb like is, the adjective has no ending: De vrouw is jong. Jongen means “boy”.

  13. Frage 13 von 30

    Complete: “Dat is een ___ vrouw.” (kind)
    Antwort anzeigen

    Antwort: D. aardige

    Before a de-word (de vrouw), add -e: een aardige vrouw.

  14. Frage 14 von 30

    Complete: “Ze wonen in een ___ huis.” (big)
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. groot

    Huis is a het-word. With een + a het-word, the adjective has no -e: een groot huis.

  15. Frage 15 von 30

    Complete: “Het ___ huis is van mijn opa.” (big)
    Antwort anzeigen

    Antwort: D. grote

    With het (the), add -e: het grote huis. Groot loses one o: grote.

  16. Frage 16 von 30

    What does the Dutch word “slim” mean?
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. clever

    Slim is a false friend: it means clever. “Slim” (thin) is slank in Dutch.

  17. Frage 17 von 30

    Choose the correct sentence.
    Antwort anzeigen

    Antwort: D. Hij heeft blauwe ogen.

    Ogen (eyes) is plural, so the adjective takes -e: blauwe ogen. Use hebben (heeft) for eyes and hair.

  18. Frage 18 von 30

    Put the words in order: heeft / ze / haar / lang
    Antwort anzeigen

    Antwort: B. Ze heeft lang haar.

    Subject (ze) + verb (heeft) + the rest (lang haar). The adjective comes before the noun.

  19. Frage 19 von 30

    Listen. What does the brother look like?
    Hören Sie zu und antworten Sie dann. Das Transkript erscheint nach Ihrer Antwort.
    Kein Ton? Lesen Sie den Text

    Mijn broer is lang en slank. Hij heeft blond haar.

    Antwort anzeigen

    Antwort: A. Tall and slim, with blond hair

    Lang means tall (for people) and slank means slim. He has blond haar (blond hair).

    Transkript

    Mijn broer is lang en slank. Hij heeft blond haar.

  20. Frage 20 von 30

    Listen. Which sentence about the colleague is true?
    Hören Sie zu und antworten Sie dann. Das Transkript erscheint nach Ihrer Antwort.
    Kein Ton? Lesen Sie den Text

    Ruben: Hoe ziet je collega eruit?
    Femke: Ze is jong en heel grappig. Ze heeft lang haar.

    Antwort anzeigen

    Antwort: A. She is young and funny.

    Femke says “Ze is jong en heel grappig”: young and very funny. She has long hair (lang haar).

    Transkript

    Ruben: Hoe ziet je collega eruit?
    Femke: Ze is jong en heel grappig. Ze heeft lang haar.

  21. Frage 21 von 30

    What is “de keuken”?
    Antwort anzeigen

    Antwort: B. the kitchen

    De keuken is the kitchen. It is not a cake: cake is taart or cake in Dutch.

  22. Frage 22 von 30

    In which room do you usually sleep?
    Antwort anzeigen

    Antwort: C. de slaapkamer

    Slapen means “to sleep”, so de slaapkamer is the bedroom.

  23. Frage 23 von 30

    Complete: “Er ___ twee badkamers.”
    Antwort anzeigen

    Antwort: C. zijn

    Use er zijn for more than one thing: Er zijn twee badkamers.

  24. Frage 24 von 30

    Complete: “Er ___ een tuin.”
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. is

    Use er is for one thing: Er is een tuin.

  25. Frage 25 von 30

    In a living room, what is “de bank”?
    Antwort anzeigen

    Antwort: C. the sofa

    In a home, de bank is the sofa. The same word also means a bank for money.

  26. Frage 26 von 30

    What is the plural of “de stoel”?
    Antwort anzeigen

    Antwort: D. de stoelen

    Most nouns add -en in the plural: stoel → stoelen. All plurals use de.

  27. Frage 27 von 30

    Choose the correct question: “Is there a balcony?”
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. Is er een balkon?

    In a question, the verb comes first: Is er een balkon? Use is (not zijn) for one thing.

  28. Frage 28 von 30

    Read the text. Which sentence is true?

    Ik woon in een klein appartement in Utrecht. Er zijn twee slaapkamers, een woonkamer, een keuken en een badkamer. Er is een balkon, maar er is geen tuin.

    Antwort anzeigen

    Antwort: D. There is no garden.

    The text says “er is geen tuin”: there is no garden. There is a balcony and the apartment is small.

  29. Frage 29 von 30

    Listen. How many bedrooms are there?
    Hören Sie zu und antworten Sie dann. Das Transkript erscheint nach Ihrer Antwort.
    Kein Ton? Lesen Sie den Text

    Ons huis heeft drie kamers: een woonkamer en twee slaapkamers. Er is ook een keuken.

    Antwort anzeigen

    Antwort: D. Two

    Twee slaapkamers = two bedrooms. In Dutch, kamers counts the living room and the bedrooms, not the kitchen: three rooms in total.

    Transkript

    Ons huis heeft drie kamers: een woonkamer en twee slaapkamers. Er is ook een keuken.

  30. Frage 30 von 30

    Listen. What does the home have?
    Hören Sie zu und antworten Sie dann. Das Transkript erscheint nach Ihrer Antwort.
    Kein Ton? Lesen Sie den Text

    Mark: Is er een tuin?
    Lisa: Nee, maar er is een groot balkon.

    Antwort anzeigen

    Antwort: A. A big balcony

    Lisa says nee (no garden), “maar er is een groot balkon”: but there is a big balcony.

    Transkript

    Mark: Is er een tuin?
    Lisa: Nee, maar er is een groot balkon.

Weitere Pläne für diesen Kurs