Basic Dutch in 7 Days (Fast Track): Work and jobs, Free time, Health and more

Themaquiz zonder tijdslimiet: 40 vragen over Work and jobs, Free time, Health and more, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.

  • Cursus
  • Nederland
  • 300 vragen
  • Gecontroleerd op 13 oktober 2026
  • Taalkundig nagekeken op 13 oktober 2026
Begin met de lessenBasic Dutch: 30 Lessons: ongeveer 749 minuten leestijd. Elke testvraag wordt in de lessen behandeld.

Dag 5: Work and jobs, Free time, Health and more

  1. Vraag 1 van 40

    What does “de kok” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. the cook

    De kok is the cook. The kitchen is de keuken and the baker is de bakker.

  2. Vraag 2 van 40

    Which sentence is the usual way to say “I am a teacher”?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Ik ben leraar.

    To say your job, use ben (from zijn) with no article: Ik ben leraar. Ik ben de leraar means I am the teacher.

  3. Vraag 3 van 40

    Choose the correct form: Hij ___ een nieuwe baan.
    Toon antwoord

    Antwoord: A. heeft

    Hebben is irregular. With hij, zij and het the form is heeft.

  4. Vraag 4 van 40

    Fill the gap: Wij ___ vandaag vrij.
    Toon antwoord

    Antwoord: B. hebben

    With wij, jullie and zij (they), use the full form hebben: wij hebben vandaag vrij.

  5. Vraag 5 van 40

    Fill the gap: ___ jij een auto?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Heb

    When jij comes after the verb, drop the -t: Heb jij een auto?

  6. Vraag 6 van 40

    Fill the gap: Ik werk ___ een bank.
    Toon antwoord

    Antwoord: B. bij

    Use bij with a company or employer: Ik werk bij een bank.

  7. Vraag 7 van 40

    Your colleague asks: “Wat doe je voor werk?” Which reply fits?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Ik ben kok in een restaurant.

    The question asks about your job, so you answer with a job: Ik ben kok (I am a cook).

  8. Vraag 8 van 40

    Listen. What is Fleur’s job?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Daan: Wat doe jij voor werk, Fleur?
    Fleur: Ik ben verpleegkundige. Ik werk in een ziekenhuis.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. nurse

    Fleur says ik ben verpleegkundige: I am a nurse. She works in a hospital (een ziekenhuis).

    Transcript

    Daan: Wat doe jij voor werk, Fleur?
    Fleur: Ik ben verpleegkundige. Ik werk in een ziekenhuis.

  9. Vraag 9 van 40

    Listen. What does the speaker say about today?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ik werk bij een bank. Maar vandaag heb ik vrij.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. The speaker has the day off.

    Vandaag heb ik vrij means today I have the day off. Vrij hebben means to be free from work.

    Transcript

    Ik werk bij een bank. Maar vandaag heb ik vrij.

  10. Vraag 10 van 40

    Read the job ad. When does the cook work?

    Vacature: kok (parttime)
    Restaurant De Molen in Haarlem zoekt een kok.
    Werktijden: woensdag tot en met zaterdag, van 16.00 tot 22.00 uur.
    Interesse? Bel of mail Petra.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. Wednesday to Saturday, 4 p.m. to 10 p.m.

    Woensdag tot en met zaterdag means Wednesday up to and including Saturday, and 16.00 to 22.00 is 4 p.m. to 10 p.m.

  11. Vraag 11 van 40

    What does “Ik lees graag” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. I like reading.

    Graag after a verb means you like doing it: ik lees graag = I like reading.

  12. Vraag 12 van 40

    What does “Ik hou van muziek” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. I love music.

    Houden van means to love or really like. Houden alone can mean to hold, but with van it means love.

  13. Vraag 13 van 40

    Which sentence is correct?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ik zwem graag.

    Graag comes right after the verb: ik zwem graag.

  14. Vraag 14 van 40

    How do you say “I don’t like cooking”?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ik kook niet graag.

    Put niet before graag, after the verb: ik kook niet graag. Geen is used with nouns, not here.

  15. Vraag 15 van 40

    Fill the gap: Ik vind fietsen ___.
    Toon antwoord

    Antwoord: C. leuk

    Use leuk with vinden: Ik vind fietsen leuk = I like cycling (I find cycling fun).

  16. Vraag 16 van 40

    Fill the gap: Ik hou ___ voetbal.
    Toon antwoord

    Antwoord: C. van

    The verb is houden van: ik hou van voetbal (I love soccer).

  17. Vraag 17 van 40

    Sanne says: “Ik speel graag tennis.” You like tennis too. What do you say?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Ik ook!

    Ik ook! means me too. Ik niet means I don’t, and Ja, graag means yes, please.

  18. Vraag 18 van 40

    Listen. What does Ruben like to do?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Emma: Wat doe je in je vrije tijd, Ruben?
    Ruben: Ik fiets graag. En ik speel gitaar.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. Cycling and playing the guitar

    Ruben says ik fiets graag (I like cycling) and ik speel gitaar (I play the guitar).

    Transcript

    Emma: Wat doe je in je vrije tijd, Ruben?
    Ruben: Ik fiets graag. En ik speel gitaar.

  19. Vraag 19 van 40

    Listen. What does the speaker NOT like?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ik vind lezen leuk. Maar ik vind tv kijken niet leuk.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. watching TV

    Niet leuk means not fun. The speaker likes reading (lezen) but does not like watching TV (tv kijken).

    Transcript

    Ik vind lezen leuk. Maar ik vind tv kijken niet leuk.

  20. Vraag 20 van 40

    Read the text. What does Joris do on Saturday?

    Mijn naam is Joris. In mijn vrije tijd sport ik graag. Ik zwem op maandag en ik voetbal op zaterdag. Ik lees niet graag, maar ik hou van films.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. He plays soccer.

    The text says ik voetbal op zaterdag: on Saturday he plays soccer. He swims on Monday.

  21. Vraag 21 van 40

    What does “het hoofd” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. the head

    Het hoofd is the head. The hand is de hand, the stomach is de buik and the back is de rug.

  22. Vraag 22 van 40

    How do you say “I have a sore throat”?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Ik heb keelpijn.

    De keel is the throat, so keelpijn is a sore throat. Use hebben: ik heb keelpijn.

  23. Vraag 23 van 40

    Fill the gap: Mijn arm ___ pijn.
    Toon antwoord

    Antwoord: A. doet

    Use doet pijn for one body part: mijn arm doet pijn (my arm hurts).

  24. Vraag 24 van 40

    Fill the gap: Mijn voeten ___ pijn.
    Toon antwoord

    Antwoord: C. doen

    Voeten is plural (more than one foot), so use doen: mijn voeten doen pijn.

  25. Vraag 25 van 40

    What does “Ik ben verkouden” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. I have a cold.

    Verkouden means having a cold (a runny nose, sneezing). For a fever, say ik heb koorts.

  26. Vraag 26 van 40

    Which word means “family doctor”?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. de huisarts

    De huisarts is the family doctor (huis = house, arts = doctor). De apotheek is the pharmacy and het ziekenhuis is the hospital.

  27. Vraag 27 van 40

    Your friend says: “Ik ben ziek.” What do you say?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Beterschap!

    Beterschap! means get well soon. Gefeliciteerd! means congratulations.

  28. Vraag 28 van 40

    Listen. What is wrong with the patient?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Dokter: Wat is er aan de hand?
    Patiënt: Ik heb hoofdpijn en koorts.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. a headache and a fever

    The patient says ik heb hoofdpijn en koorts: I have a headache and a fever.

    Transcript

    Dokter: Wat is er aan de hand?
    Patiënt: Ik heb hoofdpijn en koorts.

  29. Vraag 29 van 40

    Listen. How long has the patient had a sore throat?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Dokter: Hoe lang heeft u al keelpijn?
    Patiënt: Drie dagen.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. three days

    The patient answers drie dagen: three days. Keelpijn is a sore throat.

    Transcript

    Dokter: Hoe lang heeft u al keelpijn?
    Patiënt: Drie dagen.

  30. Vraag 30 van 40

    Read the label. How should Mrs De Boer take the tablets?

    Apotheek Centrum
    Mevrouw J. de Boer
    Neem 2 keer per dag 1 tablet, na het eten.
    Niet met alcohol.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. One tablet twice a day, after eating

    2 keer per dag 1 tablet means one tablet two times a day, and na het eten means after eating.

  31. Vraag 31 van 40

    What does “de jas” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. the coat

    De jas is a coat or jacket. A dress is de jurk, a skirt is de rok and a sweater is de trui.

  32. Vraag 32 van 40

    What colour is “geel”?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. yellow

    Geel is yellow. Green is groen, grey is grijs and blue is blauw.

  33. Vraag 33 van 40

    Choose the correct form: Ik koop een ___ jas. (zwart)
    Toon antwoord

    Antwoord: B. zwarte

    Jas is a de-word, so the adjective gets -e, also after een: een zwarte jas.

  34. Vraag 34 van 40

    Choose the correct form: Hij draagt een ___ overhemd. (wit)
    Toon antwoord

    Antwoord: C. wit

    Overhemd is a het-word. After een with a singular het-word, the adjective has no -e: een wit overhemd.

  35. Vraag 35 van 40

    Choose the correct form: Het ___ T-shirt is te groot. (rood)
    Toon antwoord

    Antwoord: D. rode

    After het, the adjective gets -e. Rood keeps its long sound with one o: het rode T-shirt.

  36. Vraag 36 van 40

    Which sentence is correct?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. De jurk is blauw.

    After is or zijn, the adjective has no -e: de jurk is blauw.

  37. Vraag 37 van 40

    In a shop, the assistant asks: “Welke maat heeft u?” Which reply fits?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Ik heb maat 38.

    Maat means size. You answer with your size: Ik heb maat 38.

  38. Vraag 38 van 40

    You try on a coat (de jas). It is too small. What do you say?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Hij is te klein.

    Te klein means too small. Use hij for a de-word like de jas. Te groot means too big.

  39. Vraag 39 van 40

    Listen. What does Lotte ask for?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Lotte: Hebt u deze trui ook in het groen?
    Verkoper: Ja, in maat 36 en 38.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. the sweater in green

    Lotte asks hebt u deze trui ook in het groen? De trui is a sweater and groen is green.

    Transcript

    Lotte: Hebt u deze trui ook in het groen?
    Verkoper: Ja, in maat 36 en 38.

  40. Vraag 40 van 40

    Listen. What is Daan wearing?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Daan draagt een zwarte broek, een wit overhemd en bruine schoenen.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. black pants, a white shirt and brown shoes

    The speaker says een zwarte broek (black pants), een wit overhemd (a white shirt) and bruine schoenen (brown shoes).

    Transcript

    Daan draagt een zwarte broek, een wit overhemd en bruine schoenen.

Andere plannen voor deze cursus