Basic Dutch in 30 Days: Family
Themaquiz zonder tijdslimiet: 10 vragen over Family, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.
Dag 7: Family
-
Vraag 1 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. the sister
De zus is the sister. The brother is de broer and the son is de zoon.
-
Vraag 2 van 10
Toon antwoord
Antwoord: B. de kinderen
Kind has an irregular plural: kinderen. All plurals use de.
-
Vraag 3 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. mijn
My is mijn: mijn moeder. Mij means “me”.
-
Vraag 4 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. Haar
Anna is a woman, so “her brother” is haar broer. Zijn means “his”.
-
Vraag 5 van 10
Toon antwoord
Antwoord: B. onze kinderen
Use onze before plurals and de-words, and ons before a singular het-word: ons kind, onze kinderen.
-
Vraag 6 van 10
Toon antwoord
Antwoord: D. Ik heb geen kinderen.
Use geen (no, not any) before a noun: Ik heb geen kinderen.
-
Vraag 7 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. oom
Your parent’s brother is your oom (uncle). Tante is aunt.
-
Vraag 8 van 10
Toon antwoord
Antwoord: B. Two
Twee zussen = two sisters. The speaker also has een broer (one brother).
Transcript
Ik heb een broer en twee zussen.
-
Vraag 9 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. Ali has a daughter.
Ali says “We hebben een dochter” (we have a daughter). Sara is his wife (vrouw).
Transcript
Eva: Ben je getrouwd?
Ali: Ja. Mijn vrouw heet Sara. We hebben een dochter. -
Vraag 10 van 10
Toon antwoord
Antwoord: B. The writer’s sister and her family
“Zij woont in Gent” is about Lies, the writer’s sister. She lives there with her husband and their two children.
Toetsenbord: 1–4 om te antwoorden, Enter voor de volgende vraag.