Basic Dutch in 30 Days: Family

Themaquiz zonder tijdslimiet: 10 vragen over Family, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.

  • Cursus
  • Nederland
  • 300 vragen
  • Gecontroleerd op 13 oktober 2026
  • Taalkundig nagekeken op 13 oktober 2026
Begin met de lessenBasic Dutch: 30 Lessons: ongeveer 750 minuten leestijd. Elke testvraag wordt in de lessen behandeld.

Dag 7: Family

  1. Vraag 1 van 10

    What does “de zus” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. the sister

    De zus is the sister. The brother is de broer and the son is de zoon.

  2. Vraag 2 van 10

    What is the plural of “het kind”?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. de kinderen

    Kind has an irregular plural: kinderen. All plurals use de.

  3. Vraag 3 van 10

    Complete: “Dit is ___ moeder.” (my)
    Toon antwoord

    Antwoord: A. mijn

    My is mijn: mijn moeder. Mij means “me”.

  4. Vraag 4 van 10

    Complete: “Anna woont in Delft. ___ broer woont in Gouda.”
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Haar

    Anna is a woman, so “her brother” is haar broer. Zijn means “his”.

  5. Vraag 5 van 10

    Choose the correct phrase.
    Toon antwoord

    Antwoord: B. onze kinderen

    Use onze before plurals and de-words, and ons before a singular het-word: ons kind, onze kinderen.

  6. Vraag 6 van 10

    Choose the correct sentence: “I don’t have any children.”
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Ik heb geen kinderen.

    Use geen (no, not any) before a noun: Ik heb geen kinderen.

  7. Vraag 7 van 10

    Your mother’s brother is your …
    Toon antwoord

    Antwoord: C. oom

    Your parent’s brother is your oom (uncle). Tante is aunt.

  8. Vraag 8 van 10

    Listen. How many sisters does the speaker have?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ik heb een broer en twee zussen.

    Toon antwoord

    Antwoord: B. Two

    Twee zussen = two sisters. The speaker also has een broer (one brother).

    Transcript

    Ik heb een broer en twee zussen.

  9. Vraag 9 van 10

    Listen. Which sentence is true?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Eva: Ben je getrouwd?
    Ali: Ja. Mijn vrouw heet Sara. We hebben een dochter.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ali has a daughter.

    Ali says “We hebben een dochter” (we have a daughter). Sara is his wife (vrouw).

    Transcript

    Eva: Ben je getrouwd?
    Ali: Ja. Mijn vrouw heet Sara. We hebben een dochter.

  10. Vraag 10 van 10

    Read the text. Who lives in Gent?

    Dit is mijn familie. Mijn vader heet Kees en mijn moeder heet Ineke. Ik heb een zus, Lies. Zij woont in Gent met haar man en hun twee kinderen.

    Toon antwoord

    Antwoord: B. The writer’s sister and her family

    “Zij woont in Gent” is about Lies, the writer’s sister. She lives there with her husband and their two children.

Andere plannen voor deze cursus