Basic Dutch in 30 Days: Getting around
Themaquiz zonder tijdslimiet: 10 vragen over Getting around, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.
Dag 14: Getting around
-
Vraag 1 van 10
Toon antwoord
Antwoord: B. the bike
De fiets is the bike (bicycle). The car is de auto.
-
Vraag 2 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. met
To say how you travel, use met de: met de trein, met de bus.
-
Vraag 3 van 10
Toon antwoord
Antwoord: D. One way or return?
Enkele reis is a one-way ticket and retour is a return ticket.
-
Vraag 4 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. The train is delayed.
Vertraging means delay. The train has a delay: it is late.
-
Vraag 5 van 10
Toon antwoord
Antwoord: B. the platform (track)
Spoor is the track or platform: Van welk spoor vertrekt de trein?
-
Vraag 6 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. onder
Onder means under. Op means on.
-
Vraag 7 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. De halte is tussen de bank en de kerk.
Tussen means between: tussen de bank en de kerk.
-
Vraag 8 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. A return ticket to Leiden
Retour means a return ticket, and the person wants to go to Leiden.
Transcript
Een retour naar Leiden, alstublieft.
-
Vraag 9 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. The train is 10 minutes late.
The train leaves from spoor zeven (platform 7) and has tien minuten vertraging (a 10-minute delay).
Transcript
De trein naar Rotterdam vertrekt van spoor zeven. De trein heeft tien minuten vertraging.
-
Vraag 10 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. By bike
Mila says no to the bus: “ik ga met de fiets” (by bike).
Transcript
Jan: Ga je met de bus naar je werk?
Mila: Nee, ik ga met de fiets.
Toetsenbord: 1–4 om te antwoorden, Enter voor de volgende vraag.