Basic Dutch in 15 Days: Weather and seasons and My day

Themaquiz zonder tijdslimiet: 20 vragen over Weather and seasons and My day, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.

  • Cursus
  • Nederland
  • 300 vragen
  • Gecontroleerd op 13 oktober 2026
  • Taalkundig nagekeken op 13 oktober 2026
Begin met de lessenBasic Dutch: 30 Lessons: ongeveer 750 minuten leestijd. Elke testvraag wordt in de lessen behandeld.

Dag 8: Weather and seasons and My day

  1. Vraag 1 van 20

    What does “Het regent” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. It is raining.

    Regenen means “to rain”: het regent. Snowing is het sneeuwt.

  2. Vraag 2 van 20

    Which season is “de herfst”?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. autumn

    De herfst is autumn (also called het najaar). Spring is de lente.

  3. Vraag 3 van 20

    What does “Het waait” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. It is windy.

    Waaien means the wind blows: het waait = it is windy. Freezing is het vriest.

  4. Vraag 4 van 20

    Complete: “___ de winter is het koud.”
    Toon antwoord

    Antwoord: D. In

    Use in de with seasons: in de winter, in de zomer.

  5. Vraag 5 van 20

    Choose the correct sentence.
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Vandaag regent het.

    When a sentence starts with a time word, the verb comes second: Vandaag regent het.

  6. Vraag 6 van 20

    What does “lekker weer” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. lovely weather

    Lekker usually means tasty, but lekker weer means lovely, pleasant weather.

  7. Vraag 7 van 20

    Your friend says “Neem een paraplu mee.” What is the weather probably like?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Rainy

    Een paraplu is an umbrella. You take one when it rains.

  8. Vraag 8 van 20

    Listen. What is the weather like today?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Het is vandaag min twee graden en het sneeuwt.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. −2 °C and snowing

    Min twee graden is minus 2 degrees, and het sneeuwt means it is snowing.

    Transcript

    Het is vandaag min twee graden en het sneeuwt.

  9. Vraag 9 van 20

    Listen. What will the weather be like tomorrow?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Morgen wordt het mooi weer. De zon schijnt en het wordt vijfentwintig graden.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. Sunny and 25 degrees

    De zon schijnt = the sun is shining. Vijfentwintig = 5 + 20 = 25 degrees.

    Transcript

    Morgen wordt het mooi weer. De zon schijnt en het wordt vijfentwintig graden.

  10. Vraag 10 van 20

    Listen. Which season does Tom like?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Eva: Hou je van de zomer?
    Tom: Nee, ik hou van de lente. Dan is het niet te warm.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. Spring

    Tom says “ik hou van de lente”: I love spring (de lente). Then it is not too warm.

    Transcript

    Eva: Hou je van de zomer?
    Tom: Nee, ik hou van de lente. Dan is het niet te warm.

  11. Vraag 11 van 20

    What does “Ik ontbijt om zeven uur” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. I have breakfast at seven.

    Ontbijten means to have breakfast. Get up is opstaan, and go to bed is naar bed gaan.

  12. Vraag 12 van 20

    Choose the correct form: Jij ___ in Rotterdam. (wonen)
    Toon antwoord

    Antwoord: B. woont

    With jij in a statement, add -t to the stem: jij woont. The stem keeps the long vowel: woon.

  13. Vraag 13 van 20

    Fill the gap: Wij ___ Nederlands. (leren)
    Toon antwoord

    Antwoord: B. leren

    With wij, jullie and zij (they), the verb looks like the infinitive: wij leren.

  14. Vraag 14 van 20

    Choose the correct form: Ik ___ in een café. (zitten)
    Toon antwoord

    Antwoord: C. zit

    Remove -en to get the stem, and write a double consonant as one at the end: zitten → ik zit.

  15. Vraag 15 van 20

    Which question is correct?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Werk jij morgen?

    In a question the verb comes first. When jij comes after the verb, the verb drops its -t: werk jij?

  16. Vraag 16 van 20

    Which sentence has the correct word order?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. ’s Avonds kook ik.

    In a Dutch statement the verb is second. After a time word like ’s avonds, the subject comes after the verb.

  17. Vraag 17 van 20

    How do you say “I get up at seven o’clock”?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Ik sta om zeven uur op.

    Opstaan is a two-part verb. The verb sta is in second place and the small part op goes to the end.

  18. Vraag 18 van 20

    Listen. When does the speaker get up?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ik sta om half zeven op. Dan ontbijt ik.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. 6:30

    Half zeven means half an hour before seven, so 6:30. Dutch counts half towards the next hour.

    Transcript

    Ik sta om half zeven op. Dan ontbijt ik.

  19. Vraag 19 van 20

    Listen. When does Bram work?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Sanne: Wanneer werk jij?
    Bram: Ik werk van acht tot vier.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. From 8 to 4

    Bram says ik werk van acht tot vier: I work from eight to four.

    Transcript

    Sanne: Wanneer werk jij?
    Bram: Ik werk van acht tot vier.

  20. Vraag 20 van 20

    Read the text. What does Lotte do in the evening?

    Hoi! Ik heet Lotte. Ik woon in Utrecht. Ik sta om zes uur op en drink koffie. Ik werk van zeven tot drie uur. ’s Avonds kook ik en lees ik een boek.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. She cooks and reads a book.

    The text says ’s avonds kook ik en lees ik een boek: in the evening she cooks and reads a book.

Andere plannen voor deze cursus