Basic Dutch in 10 Days: Asking questions, Yesterday and Plans

Themaquiz zonder tijdslimiet: 30 vragen over Asking questions, Yesterday and Plans, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.

  • Cursus
  • Nederland
  • 300 vragen
  • Gecontroleerd op 13 oktober 2026
  • Taalkundig nagekeken op 13 oktober 2026
Begin met de lessenBasic Dutch: 30 Lessons: ongeveer 750 minuten leestijd. Elke testvraag wordt in de lessen behandeld.

Dag 8: Asking questions, Yesterday and Plans

  1. Vraag 1 van 30

    What does “waarom” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. why

    Waarom means why. Waar is where, wanneer is when and wie is who.

  2. Vraag 2 van 30

    Which question word means “when”?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. wanneer

    Wanneer means when: Wanneer begint de les? (When does the lesson start?)

  3. Vraag 3 van 30

    Make a yes/no question from “Je woont in Delft.”
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Woon je in Delft?

    Put the verb first. When je comes after the verb, the -t goes: Woon je in Delft?

  4. Vraag 4 van 30

    Which question has the correct word order?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Wanneer begint de film?

    After a question word, the verb comes next, then the subject: Wanneer begint de film?

  5. Vraag 5 van 30

    Fill the gap: ___ trein gaat naar Amsterdam?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Welke

    Trein is a de-word, so use welke. Welk is only for a singular het-word, like welk huis.

  6. Vraag 6 van 30

    Fill the gap: Waar kom je ___?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. vandaan

    Waar ... vandaan means where ... from: Waar kom je vandaan? (Where are you from?)

  7. Vraag 7 van 30

    A: “___?” B: “Het kost drie euro.” Which question fits?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Hoeveel kost het?

    The answer is a price, so the question uses hoeveel (how much): Hoeveel kost het?

  8. Vraag 8 van 30

    Listen to the question. Which answer fits?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Waar woon je?

    Toon antwoord

    Antwoord: A. In Rotterdam.

    Waar woon je? means where do you live? You answer with a place: In Rotterdam.

    Transcript

    Waar woon je?

  9. Vraag 9 van 30

    Listen. What does Bram want to know?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Bram: Pardon, welke bus gaat naar het station?

    Toon antwoord

    Antwoord: A. Which bus goes to the station

    Welke means which. Bram asks which bus goes to the station.

    Transcript

    Bram: Pardon, welke bus gaat naar het station?

  10. Vraag 10 van 30

    Listen. What time does the lesson start?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Anouk: Hoe laat begint de les?
    Leraar: Om negen uur.

    Toon antwoord

    Antwoord: B. 9:00

    Anouk asks hoe laat begint de les? (what time does the lesson start?) and the teacher says om negen uur: at nine o’clock.

    Transcript

    Anouk: Hoe laat begint de les?
    Leraar: Om negen uur.

  11. Vraag 11 van 30

    What does “gisteren” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. yesterday

    Gisteren means yesterday. Tomorrow is morgen, today is vandaag and last week is vorige week.

  12. Vraag 12 van 30

    Choose the participle of “werken”.
    Toon antwoord

    Antwoord: A. gewerkt

    The stem werk ends in k, a letter from ’t kofschip, so add ge- and -t: gewerkt.

  13. Vraag 13 van 30

    Choose the participle of “wonen”.
    Toon antwoord

    Antwoord: D. gewoond

    The stem woon ends in n, which is not in ’t kofschip, so add -d: gewoond.

  14. Vraag 14 van 30

    Fill the gap: Ik ___ gisteren pasta gekookt.
    Toon antwoord

    Antwoord: B. heb

    Koken uses hebben in the perfect tense. With ik the form is heb.

  15. Vraag 15 van 30

    Fill the gap: Wij ___ naar het strand gegaan.
    Toon antwoord

    Antwoord: B. zijn

    Gaan (to go somewhere) uses zijn in the perfect tense: wij zijn gegaan.

  16. Vraag 16 van 30

    How do you say “I saw a film”?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Ik heb een film gezien.

    Zien is irregular: the participle is gezien. It uses hebben, and the participle goes to the end.

  17. Vraag 17 van 30

    Which sentence is correct?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Gisteren heb ik gefietst.

    After gisteren the verb heb comes second. Fiets ends in s, a ’t kofschip letter, so the participle ends in -t.

  18. Vraag 18 van 30

    Listen. What did Emma do yesterday?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Lucas: Wat heb je gisteren gedaan?
    Emma: Ik heb gewerkt en ’s avonds heb ik gekookt.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. She worked and cooked in the evening.

    Emma says ik heb gewerkt (I worked) and ’s avonds heb ik gekookt (in the evening I cooked).

    Transcript

    Lucas: Wat heb je gisteren gedaan?
    Emma: Ik heb gewerkt en ’s avonds heb ik gekookt.

  19. Vraag 19 van 30

    Listen. Where did the speaker go last week?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Vorige week ben ik naar Utrecht gegaan. Ik heb daar mijn zus gezien.

    Toon antwoord

    Antwoord: B. to Utrecht

    Vorige week ben ik naar Utrecht gegaan means last week I went to Utrecht. Gaan uses zijn.

    Transcript

    Vorige week ben ik naar Utrecht gegaan. Ik heb daar mijn zus gezien.

  20. Vraag 20 van 30

    Read the text. What did the writer do in the afternoon?

    Zaterdag
    ’s Ochtends heb ik boodschappen gedaan. ’s Middags heb ik met Joris tennis gespeeld. ’s Avonds hebben we pizza gegeten en een film gezien.

    Toon antwoord

    Antwoord: B. Played tennis with Joris.

    ’s Middags heb ik met Joris tennis gespeeld means in the afternoon I played tennis with Joris.

  21. Vraag 21 van 30

    What does “morgen” mean in “Ik werk morgen”?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. tomorrow

    Morgen means tomorrow. Yesterday is gisteren, today is vandaag and next week is volgende week.

  22. Vraag 22 van 30

    How do you say “I’m going to swim tomorrow”?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ik ga morgen zwemmen.

    Use ga (the form for ik) and put the infinitive zwemmen at the end.

  23. Vraag 23 van 30

    Fill the gap: Wij ___ volgende week naar Parijs.
    Toon antwoord

    Antwoord: D. gaan

    With wij, jullie and zij (they), the form is gaan: wij gaan naar Parijs.

  24. Vraag 24 van 30

    Fill the gap: ___ jij morgen werken?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ga

    When jij comes after the verb, drop the -t: Ga jij morgen werken?

  25. Vraag 25 van 30

    Which sentence is correct?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Morgen werk ik thuis.

    When a time word comes first, the verb is second and the subject comes after it: Morgen werk ik thuis.

  26. Vraag 26 van 30

    Which time words mean “next week”?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. volgende week

    Volgende week is next week. Vorige week is last week, deze week is this week and elke week is every week.

  27. Vraag 27 van 30

    Your friend asks: “Zullen we zaterdag fietsen?” You want to go. What do you say?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ja, leuk!

    Ja, leuk! means yes, that sounds fun. Nee, sorry, ik kan niet says no.

  28. Vraag 28 van 30

    Listen. What is Anouk going to do this weekend?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ruben: Wat ga je dit weekend doen?
    Anouk: Ik ga naar mijn ouders in Groningen.

    Toon antwoord

    Antwoord: B. Go to her parents in Groningen

    Anouk says ik ga naar mijn ouders in Groningen: I’m going to my parents in Groningen.

    Transcript

    Ruben: Wat ga je dit weekend doen?
    Anouk: Ik ga naar mijn ouders in Groningen.

  29. Vraag 29 van 30

    Listen. When are they going to the cinema?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Joris: Zullen we naar de bioscoop gaan?
    Fleur: Ja, leuk! Vanavond om acht uur?

    Toon antwoord

    Antwoord: A. Tonight at eight

    Fleur says vanavond om acht uur: tonight at eight o’clock.

    Transcript

    Joris: Zullen we naar de bioscoop gaan?
    Fleur: Ja, leuk! Vanavond om acht uur?

  30. Vraag 30 van 30

    Read the message. When does Sanne come back?

    Hoi Daan, volgende week ga ik naar Spanje. Ik vertrek op maandag en ik kom op zaterdag terug. Kun jij mijn planten water geven? Groetjes, Sanne

    Toon antwoord

    Antwoord: D. On Saturday

    Ik kom op zaterdag terug means I’m coming back on Saturday. She leaves on Monday (ik vertrek op maandag).

Andere plannen voor deze cursus