Basic Dutch in 10 Days: Asking questions, Yesterday and Plans
Themenquiz ohne Zeitlimit: 30 Fragen zu Asking questions, Yesterday and Plans, mit einer Erklärung nach jeder Antwort. Fragen und Antworten werden jedes Mal neu gemischt.
Tag 8: Asking questions, Yesterday and Plans
-
Frage 1 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: B. why
Waarom means why. Waar is where, wanneer is when and wie is who.
-
Frage 2 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: D. wanneer
Wanneer means when: Wanneer begint de les? (When does the lesson start?)
-
Frage 3 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: D. Woon je in Delft?
Put the verb first. When je comes after the verb, the -t goes: Woon je in Delft?
-
Frage 4 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: D. Wanneer begint de film?
After a question word, the verb comes next, then the subject: Wanneer begint de film?
-
Frage 5 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: C. Welke
Trein is a de-word, so use welke. Welk is only for a singular het-word, like welk huis.
-
Frage 6 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: A. vandaan
Waar ... vandaan means where ... from: Waar kom je vandaan? (Where are you from?)
-
Frage 7 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: B. Hoeveel kost het?
The answer is a price, so the question uses hoeveel (how much): Hoeveel kost het?
-
Frage 8 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: A. In Rotterdam.
Waar woon je? means where do you live? You answer with a place: In Rotterdam.
Transkript
Waar woon je?
-
Frage 9 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: A. Which bus goes to the station
Welke means which. Bram asks which bus goes to the station.
Transkript
Bram: Pardon, welke bus gaat naar het station?
-
Frage 10 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: B. 9:00
Anouk asks hoe laat begint de les? (what time does the lesson start?) and the teacher says om negen uur: at nine o’clock.
Transkript
Anouk: Hoe laat begint de les?
Leraar: Om negen uur. -
Frage 11 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: A. yesterday
Gisteren means yesterday. Tomorrow is morgen, today is vandaag and last week is vorige week.
-
Frage 12 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: A. gewerkt
The stem werk ends in k, a letter from ’t kofschip, so add ge- and -t: gewerkt.
-
Frage 13 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: D. gewoond
The stem woon ends in n, which is not in ’t kofschip, so add -d: gewoond.
-
Frage 14 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: B. heb
Koken uses hebben in the perfect tense. With ik the form is heb.
-
Frage 15 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: B. zijn
Gaan (to go somewhere) uses zijn in the perfect tense: wij zijn gegaan.
-
Frage 16 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: D. Ik heb een film gezien.
Zien is irregular: the participle is gezien. It uses hebben, and the participle goes to the end.
-
Frage 17 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: D. Gisteren heb ik gefietst.
After gisteren the verb heb comes second. Fiets ends in s, a ’t kofschip letter, so the participle ends in -t.
-
Frage 18 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: C. She worked and cooked in the evening.
Emma says ik heb gewerkt (I worked) and ’s avonds heb ik gekookt (in the evening I cooked).
Transkript
Lucas: Wat heb je gisteren gedaan?
Emma: Ik heb gewerkt en ’s avonds heb ik gekookt. -
Frage 19 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: B. to Utrecht
Vorige week ben ik naar Utrecht gegaan means last week I went to Utrecht. Gaan uses zijn.
Transkript
Vorige week ben ik naar Utrecht gegaan. Ik heb daar mijn zus gezien.
-
Frage 20 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: B. Played tennis with Joris.
’s Middags heb ik met Joris tennis gespeeld means in the afternoon I played tennis with Joris.
-
Frage 21 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: B. tomorrow
Morgen means tomorrow. Yesterday is gisteren, today is vandaag and next week is volgende week.
-
Frage 22 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: C. Ik ga morgen zwemmen.
Use ga (the form for ik) and put the infinitive zwemmen at the end.
-
Frage 23 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: D. gaan
With wij, jullie and zij (they), the form is gaan: wij gaan naar Parijs.
-
Frage 24 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: C. Ga
When jij comes after the verb, drop the -t: Ga jij morgen werken?
-
Frage 25 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: D. Morgen werk ik thuis.
When a time word comes first, the verb is second and the subject comes after it: Morgen werk ik thuis.
-
Frage 26 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: C. volgende week
Volgende week is next week. Vorige week is last week, deze week is this week and elke week is every week.
-
Frage 27 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: C. Ja, leuk!
Ja, leuk! means yes, that sounds fun. Nee, sorry, ik kan niet says no.
-
Frage 28 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: B. Go to her parents in Groningen
Anouk says ik ga naar mijn ouders in Groningen: I’m going to my parents in Groningen.
Transkript
Ruben: Wat ga je dit weekend doen?
Anouk: Ik ga naar mijn ouders in Groningen. -
Frage 29 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: A. Tonight at eight
Fleur says vanavond om acht uur: tonight at eight o’clock.
Transkript
Joris: Zullen we naar de bioscoop gaan?
Fleur: Ja, leuk! Vanavond om acht uur? -
Frage 30 von 30
Antwort anzeigen
Antwort: D. On Saturday
Ik kom op zaterdag terug means I’m coming back on Saturday. She leaves on Monday (ik vertrek op maandag).
Tastatur: 1–4 zum Antworten, Eingabetaste für die nächste Frage.