Basic Dutch in 7 Days (Fast Track): Phone and appointments, Asking questions, Yesterday and more

Themaquiz zonder tijdslimiet: 50 vragen over Phone and appointments, Asking questions, Yesterday and more, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.

  • Cursus
  • Nederland
  • 300 vragen
  • Gecontroleerd op 13 oktober 2026
  • Taalkundig nagekeken op 13 oktober 2026
Begin met de lessenBasic Dutch: 30 Lessons: ongeveer 749 minuten leestijd. Elke testvraag wordt in de lessen behandeld.

Dag 6: Phone and appointments, Asking questions, Yesterday and more

  1. Vraag 1 van 50

    What does “een afspraak” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. an appointment

    Een afspraak is an appointment. Een afspraak maken means to make an appointment.

  2. Vraag 2 van 50

    You answer the phone. What do Dutch speakers often say?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Met Anna Bakker.

    Dutch speakers often answer the phone with Met and their name: Met Anna Bakker.

  3. Vraag 3 van 50

    How do you say “I would like to make an appointment”?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Ik wil graag een afspraak maken.

    Dutch says een afspraak maken. Graag comes after wil, and the infinitive maken goes to the end.

  4. Vraag 4 van 50

    Fill the gap: Kunt u dat ___? (Could you repeat that?)
    Toon antwoord

    Antwoord: C. herhalen

    After kunt u, the second verb is an infinitive at the end: Kunt u dat herhalen?

  5. Vraag 5 van 50

    Fill the gap: Is maandag ___ tien uur goed?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. om

    Use om for a clock time: om tien uur (at ten o’clock). Use op for a day: op maandag.

  6. Vraag 6 van 50

    The receptionist asks: “Is woensdag om drie uur goed?” You can come. What do you say?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Ja, dat is goed.

    Ja, dat is goed means yes, that’s fine. It accepts the day and time.

  7. Vraag 7 van 50

    What does “Ik wil mijn afspraak afzeggen” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. I want to cancel my appointment.

    Afzeggen means to cancel. To move an appointment is verzetten, and to make one is maken.

  8. Vraag 8 van 50

    Listen. When is the appointment?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Assistent: Kan het op vrijdag om half elf?
    Meneer Smit: Ja, dat is goed. Tot dan!

    Toon antwoord

    Antwoord: A. Friday at 10:30

    Vrijdag is Friday. Half elf means half an hour before eleven: 10:30.

    Transcript

    Assistent: Kan het op vrijdag om half elf?
    Meneer Smit: Ja, dat is goed. Tot dan!

  9. Vraag 9 van 50

    Listen. What does the caller want?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Goedemiddag, u spreekt met Eva Mulder. Ik ben ziek. Ik wil mijn afspraak van morgen afzeggen.

    Toon antwoord

    Antwoord: B. To cancel tomorrow’s appointment

    Eva says ik wil mijn afspraak van morgen afzeggen: I want to cancel my appointment for tomorrow. She is sick.

    Transcript

    Goedemiddag, u spreekt met Eva Mulder. Ik ben ziek. Ik wil mijn afspraak van morgen afzeggen.

  10. Vraag 10 van 50

    Read the message. When is the appointment?

    Hallo meneer De Wit, u heeft een afspraak bij de tandarts op dinsdag 14 mei om 9.15 uur. Kunt u niet komen? Bel ons dan. Tandartspraktijk Zonnehof

    Toon antwoord

    Antwoord: B. Tuesday 14 May at 9:15

    Dinsdag is Tuesday and 9.15 uur is 9:15 in the morning. Dutch often writes times with a full stop.

  11. Vraag 11 van 50

    What does “waarom” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. why

    Waarom means why. Waar is where, wanneer is when and wie is who.

  12. Vraag 12 van 50

    Which question word means “when”?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. wanneer

    Wanneer means when: Wanneer begint de les? (When does the lesson start?)

  13. Vraag 13 van 50

    Make a yes/no question from “Je woont in Delft.”
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Woon je in Delft?

    Put the verb first. When je comes after the verb, the -t goes: Woon je in Delft?

  14. Vraag 14 van 50

    Which question has the correct word order?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Wanneer begint de film?

    After a question word, the verb comes next, then the subject: Wanneer begint de film?

  15. Vraag 15 van 50

    Fill the gap: ___ trein gaat naar Amsterdam?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Welke

    Trein is a de-word, so use welke. Welk is only for a singular het-word, like welk huis.

  16. Vraag 16 van 50

    Fill the gap: Waar kom je ___?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. vandaan

    Waar ... vandaan means where ... from: Waar kom je vandaan? (Where are you from?)

  17. Vraag 17 van 50

    A: “___?” B: “Het kost drie euro.” Which question fits?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Hoeveel kost het?

    The answer is a price, so the question uses hoeveel (how much): Hoeveel kost het?

  18. Vraag 18 van 50

    Listen to the question. Which answer fits?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Waar woon je?

    Toon antwoord

    Antwoord: A. In Rotterdam.

    Waar woon je? means where do you live? You answer with a place: In Rotterdam.

    Transcript

    Waar woon je?

  19. Vraag 19 van 50

    Listen. What does Bram want to know?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Bram: Pardon, welke bus gaat naar het station?

    Toon antwoord

    Antwoord: A. Which bus goes to the station

    Welke means which. Bram asks which bus goes to the station.

    Transcript

    Bram: Pardon, welke bus gaat naar het station?

  20. Vraag 20 van 50

    Listen. What time does the lesson start?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Anouk: Hoe laat begint de les?
    Leraar: Om negen uur.

    Toon antwoord

    Antwoord: B. 9:00

    Anouk asks hoe laat begint de les? (what time does the lesson start?) and the teacher says om negen uur: at nine o’clock.

    Transcript

    Anouk: Hoe laat begint de les?
    Leraar: Om negen uur.

  21. Vraag 21 van 50

    What does “gisteren” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. yesterday

    Gisteren means yesterday. Tomorrow is morgen, today is vandaag and last week is vorige week.

  22. Vraag 22 van 50

    Choose the participle of “werken”.
    Toon antwoord

    Antwoord: A. gewerkt

    The stem werk ends in k, a letter from ’t kofschip, so add ge- and -t: gewerkt.

  23. Vraag 23 van 50

    Choose the participle of “wonen”.
    Toon antwoord

    Antwoord: D. gewoond

    The stem woon ends in n, which is not in ’t kofschip, so add -d: gewoond.

  24. Vraag 24 van 50

    Fill the gap: Ik ___ gisteren pasta gekookt.
    Toon antwoord

    Antwoord: B. heb

    Koken uses hebben in the perfect tense. With ik the form is heb.

  25. Vraag 25 van 50

    Fill the gap: Wij ___ naar het strand gegaan.
    Toon antwoord

    Antwoord: B. zijn

    Gaan (to go somewhere) uses zijn in the perfect tense: wij zijn gegaan.

  26. Vraag 26 van 50

    How do you say “I saw a film”?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Ik heb een film gezien.

    Zien is irregular: the participle is gezien. It uses hebben, and the participle goes to the end.

  27. Vraag 27 van 50

    Which sentence is correct?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Gisteren heb ik gefietst.

    After gisteren the verb heb comes second. Fiets ends in s, a ’t kofschip letter, so the participle ends in -t.

  28. Vraag 28 van 50

    Listen. What did Emma do yesterday?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Lucas: Wat heb je gisteren gedaan?
    Emma: Ik heb gewerkt en ’s avonds heb ik gekookt.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. She worked and cooked in the evening.

    Emma says ik heb gewerkt (I worked) and ’s avonds heb ik gekookt (in the evening I cooked).

    Transcript

    Lucas: Wat heb je gisteren gedaan?
    Emma: Ik heb gewerkt en ’s avonds heb ik gekookt.

  29. Vraag 29 van 50

    Listen. Where did the speaker go last week?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Vorige week ben ik naar Utrecht gegaan. Ik heb daar mijn zus gezien.

    Toon antwoord

    Antwoord: B. to Utrecht

    Vorige week ben ik naar Utrecht gegaan means last week I went to Utrecht. Gaan uses zijn.

    Transcript

    Vorige week ben ik naar Utrecht gegaan. Ik heb daar mijn zus gezien.

  30. Vraag 30 van 50

    Read the text. What did the writer do in the afternoon?

    Zaterdag
    ’s Ochtends heb ik boodschappen gedaan. ’s Middags heb ik met Joris tennis gespeeld. ’s Avonds hebben we pizza gegeten en een film gezien.

    Toon antwoord

    Antwoord: B. Played tennis with Joris.

    ’s Middags heb ik met Joris tennis gespeeld means in the afternoon I played tennis with Joris.

  31. Vraag 31 van 50

    What does “morgen” mean in “Ik werk morgen”?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. tomorrow

    Morgen means tomorrow. Yesterday is gisteren, today is vandaag and next week is volgende week.

  32. Vraag 32 van 50

    How do you say “I’m going to swim tomorrow”?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ik ga morgen zwemmen.

    Use ga (the form for ik) and put the infinitive zwemmen at the end.

  33. Vraag 33 van 50

    Fill the gap: Wij ___ volgende week naar Parijs.
    Toon antwoord

    Antwoord: D. gaan

    With wij, jullie and zij (they), the form is gaan: wij gaan naar Parijs.

  34. Vraag 34 van 50

    Fill the gap: ___ jij morgen werken?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ga

    When jij comes after the verb, drop the -t: Ga jij morgen werken?

  35. Vraag 35 van 50

    Which sentence is correct?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Morgen werk ik thuis.

    When a time word comes first, the verb is second and the subject comes after it: Morgen werk ik thuis.

  36. Vraag 36 van 50

    Which time words mean “next week”?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. volgende week

    Volgende week is next week. Vorige week is last week, deze week is this week and elke week is every week.

  37. Vraag 37 van 50

    Your friend asks: “Zullen we zaterdag fietsen?” You want to go. What do you say?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ja, leuk!

    Ja, leuk! means yes, that sounds fun. Nee, sorry, ik kan niet says no.

  38. Vraag 38 van 50

    Listen. What is Anouk going to do this weekend?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ruben: Wat ga je dit weekend doen?
    Anouk: Ik ga naar mijn ouders in Groningen.

    Toon antwoord

    Antwoord: B. Go to her parents in Groningen

    Anouk says ik ga naar mijn ouders in Groningen: I’m going to my parents in Groningen.

    Transcript

    Ruben: Wat ga je dit weekend doen?
    Anouk: Ik ga naar mijn ouders in Groningen.

  39. Vraag 39 van 50

    Listen. When are they going to the cinema?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Joris: Zullen we naar de bioscoop gaan?
    Fleur: Ja, leuk! Vanavond om acht uur?

    Toon antwoord

    Antwoord: A. Tonight at eight

    Fleur says vanavond om acht uur: tonight at eight o’clock.

    Transcript

    Joris: Zullen we naar de bioscoop gaan?
    Fleur: Ja, leuk! Vanavond om acht uur?

  40. Vraag 40 van 50

    Read the message. When does Sanne come back?

    Hoi Daan, volgende week ga ik naar Spanje. Ik vertrek op maandag en ik kom op zaterdag terug. Kun jij mijn planten water geven? Groetjes, Sanne

    Toon antwoord

    Antwoord: D. On Saturday

    Ik kom op zaterdag terug means I’m coming back on Saturday. She leaves on Monday (ik vertrek op maandag).

  41. Vraag 41 van 50

    What does “Mag ik hier zitten?” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. May I sit here?

    Mag ik ...? asks for permission: May I ...? Must is a different verb in Dutch (moeten).

  42. Vraag 42 van 50

    Choose the correct form: Hij ___ goed koken. (kunnen)
    Toon antwoord

    Antwoord: C. kan

    With hij, zij and het the form is kan: hij kan goed koken.

  43. Vraag 43 van 50

    Fill the gap: Wij ___ graag helpen. (willen)
    Toon antwoord

    Antwoord: D. willen

    With wij, jullie and zij (they), the form is willen: wij willen graag helpen.

  44. Vraag 44 van 50

    Which sentence is correct?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Kunt u mij helpen?

    Kunt comes first, then u, then mij. The infinitive helpen goes to the end.

  45. Vraag 45 van 50

    How do you say “Shall I carry your bag?”
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Zal ik je tas dragen?

    Use Zal ik ...? to offer help. The infinitive dragen goes to the end.

  46. Vraag 46 van 50

    Someone asks: “Zal ik de deur opendoen?” You want the help. What do you say?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Ja, graag.

    Ja, graag means yes, please. Graag gedaan means you’re welcome, which does not fit here.

  47. Vraag 47 van 50

    Which request is the MOST polite?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Zou u het raam dicht kunnen doen?

    Zou u ... kunnen? (Could you ...?) is the most polite way to ask. The other options are orders.

  48. Vraag 48 van 50

    Listen. What does the woman want?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Vrouw: Pardon, mag ik uw pen even lenen?
    Man: Ja, natuurlijk.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. To borrow the man’s pen

    She asks mag ik uw pen even lenen? Lenen means to borrow, so she wants to borrow his pen.

    Transcript

    Vrouw: Pardon, mag ik uw pen even lenen?
    Man: Ja, natuurlijk.

  49. Vraag 49 van 50

    Listen. Does Bram want help?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Lucas: Zal ik je helpen?
    Bram: Nee, dank je, het gaat wel.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. No, he can manage.

    Bram says nee, dank je, het gaat wel: no, thanks, I can manage.

    Transcript

    Lucas: Zal ik je helpen?
    Bram: Nee, dank je, het gaat wel.

  50. Vraag 50 van 50

    Read the sign in the library. What is allowed?

    Bibliotheek
    Hier mag u niet eten of drinken.
    U mag wel water drinken.
    Wilt u uw telefoon op stil zetten? Dank u wel!

    Toon antwoord

    Antwoord: C. Drinking water

    U mag wel water drinken means you may drink water. Eating and other drinks are not allowed (niet eten of drinken).

Andere plannen voor deze cursus