Basic Dutch in 7 Days (Fast Track): Phone and appointments, Asking questions, Yesterday and more
Themaquiz zonder tijdslimiet: 50 vragen over Phone and appointments, Asking questions, Yesterday and more, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.
Dag 6: Phone and appointments, Asking questions, Yesterday and more
-
Vraag 1 van 50
Toon antwoord
Antwoord: B. an appointment
Een afspraak is an appointment. Een afspraak maken means to make an appointment.
-
Vraag 2 van 50
Toon antwoord
Antwoord: C. Met Anna Bakker.
Dutch speakers often answer the phone with Met and their name: Met Anna Bakker.
-
Vraag 3 van 50
Toon antwoord
Antwoord: A. Ik wil graag een afspraak maken.
Dutch says een afspraak maken. Graag comes after wil, and the infinitive maken goes to the end.
-
Vraag 4 van 50
Toon antwoord
Antwoord: C. herhalen
After kunt u, the second verb is an infinitive at the end: Kunt u dat herhalen?
-
Vraag 5 van 50
Toon antwoord
Antwoord: A. om
Use om for a clock time: om tien uur (at ten o’clock). Use op for a day: op maandag.
-
Vraag 6 van 50
Toon antwoord
Antwoord: D. Ja, dat is goed.
Ja, dat is goed means yes, that’s fine. It accepts the day and time.
-
Vraag 7 van 50
Toon antwoord
Antwoord: A. I want to cancel my appointment.
Afzeggen means to cancel. To move an appointment is verzetten, and to make one is maken.
-
Vraag 8 van 50
Toon antwoord
Antwoord: A. Friday at 10:30
Vrijdag is Friday. Half elf means half an hour before eleven: 10:30.
Transcript
Assistent: Kan het op vrijdag om half elf?
Meneer Smit: Ja, dat is goed. Tot dan! -
Vraag 9 van 50
Toon antwoord
Antwoord: B. To cancel tomorrow’s appointment
Eva says ik wil mijn afspraak van morgen afzeggen: I want to cancel my appointment for tomorrow. She is sick.
Transcript
Goedemiddag, u spreekt met Eva Mulder. Ik ben ziek. Ik wil mijn afspraak van morgen afzeggen.
-
Vraag 10 van 50
Toon antwoord
Antwoord: B. Tuesday 14 May at 9:15
Dinsdag is Tuesday and 9.15 uur is 9:15 in the morning. Dutch often writes times with a full stop.
-
Vraag 11 van 50
Toon antwoord
Antwoord: B. why
Waarom means why. Waar is where, wanneer is when and wie is who.
-
Vraag 12 van 50
Toon antwoord
Antwoord: D. wanneer
Wanneer means when: Wanneer begint de les? (When does the lesson start?)
-
Vraag 13 van 50
Toon antwoord
Antwoord: D. Woon je in Delft?
Put the verb first. When je comes after the verb, the -t goes: Woon je in Delft?
-
Vraag 14 van 50
Toon antwoord
Antwoord: D. Wanneer begint de film?
After a question word, the verb comes next, then the subject: Wanneer begint de film?
-
Vraag 15 van 50
Toon antwoord
Antwoord: C. Welke
Trein is a de-word, so use welke. Welk is only for a singular het-word, like welk huis.
-
Vraag 16 van 50
Toon antwoord
Antwoord: A. vandaan
Waar ... vandaan means where ... from: Waar kom je vandaan? (Where are you from?)
-
Vraag 17 van 50
Toon antwoord
Antwoord: B. Hoeveel kost het?
The answer is a price, so the question uses hoeveel (how much): Hoeveel kost het?
-
Vraag 18 van 50
Toon antwoord
Antwoord: A. In Rotterdam.
Waar woon je? means where do you live? You answer with a place: In Rotterdam.
Transcript
Waar woon je?
-
Vraag 19 van 50
Toon antwoord
Antwoord: A. Which bus goes to the station
Welke means which. Bram asks which bus goes to the station.
Transcript
Bram: Pardon, welke bus gaat naar het station?
-
Vraag 20 van 50
Toon antwoord
Antwoord: B. 9:00
Anouk asks hoe laat begint de les? (what time does the lesson start?) and the teacher says om negen uur: at nine o’clock.
Transcript
Anouk: Hoe laat begint de les?
Leraar: Om negen uur. -
Vraag 21 van 50
Toon antwoord
Antwoord: A. yesterday
Gisteren means yesterday. Tomorrow is morgen, today is vandaag and last week is vorige week.
-
Vraag 22 van 50
Toon antwoord
Antwoord: A. gewerkt
The stem werk ends in k, a letter from ’t kofschip, so add ge- and -t: gewerkt.
-
Vraag 23 van 50
Toon antwoord
Antwoord: D. gewoond
The stem woon ends in n, which is not in ’t kofschip, so add -d: gewoond.
-
Vraag 24 van 50
Toon antwoord
Antwoord: B. heb
Koken uses hebben in the perfect tense. With ik the form is heb.
-
Vraag 25 van 50
Toon antwoord
Antwoord: B. zijn
Gaan (to go somewhere) uses zijn in the perfect tense: wij zijn gegaan.
-
Vraag 26 van 50
Toon antwoord
Antwoord: D. Ik heb een film gezien.
Zien is irregular: the participle is gezien. It uses hebben, and the participle goes to the end.
-
Vraag 27 van 50
Toon antwoord
Antwoord: D. Gisteren heb ik gefietst.
After gisteren the verb heb comes second. Fiets ends in s, a ’t kofschip letter, so the participle ends in -t.
-
Vraag 28 van 50
Toon antwoord
Antwoord: C. She worked and cooked in the evening.
Emma says ik heb gewerkt (I worked) and ’s avonds heb ik gekookt (in the evening I cooked).
Transcript
Lucas: Wat heb je gisteren gedaan?
Emma: Ik heb gewerkt en ’s avonds heb ik gekookt. -
Vraag 29 van 50
Toon antwoord
Antwoord: B. to Utrecht
Vorige week ben ik naar Utrecht gegaan means last week I went to Utrecht. Gaan uses zijn.
Transcript
Vorige week ben ik naar Utrecht gegaan. Ik heb daar mijn zus gezien.
-
Vraag 30 van 50
Toon antwoord
Antwoord: B. Played tennis with Joris.
’s Middags heb ik met Joris tennis gespeeld means in the afternoon I played tennis with Joris.
-
Vraag 31 van 50
Toon antwoord
Antwoord: B. tomorrow
Morgen means tomorrow. Yesterday is gisteren, today is vandaag and next week is volgende week.
-
Vraag 32 van 50
Toon antwoord
Antwoord: C. Ik ga morgen zwemmen.
Use ga (the form for ik) and put the infinitive zwemmen at the end.
-
Vraag 33 van 50
Toon antwoord
Antwoord: D. gaan
With wij, jullie and zij (they), the form is gaan: wij gaan naar Parijs.
-
Vraag 34 van 50
Toon antwoord
Antwoord: C. Ga
When jij comes after the verb, drop the -t: Ga jij morgen werken?
-
Vraag 35 van 50
Toon antwoord
Antwoord: D. Morgen werk ik thuis.
When a time word comes first, the verb is second and the subject comes after it: Morgen werk ik thuis.
-
Vraag 36 van 50
Toon antwoord
Antwoord: C. volgende week
Volgende week is next week. Vorige week is last week, deze week is this week and elke week is every week.
-
Vraag 37 van 50
Toon antwoord
Antwoord: C. Ja, leuk!
Ja, leuk! means yes, that sounds fun. Nee, sorry, ik kan niet says no.
-
Vraag 38 van 50
Toon antwoord
Antwoord: B. Go to her parents in Groningen
Anouk says ik ga naar mijn ouders in Groningen: I’m going to my parents in Groningen.
Transcript
Ruben: Wat ga je dit weekend doen?
Anouk: Ik ga naar mijn ouders in Groningen. -
Vraag 39 van 50
Toon antwoord
Antwoord: A. Tonight at eight
Fleur says vanavond om acht uur: tonight at eight o’clock.
Transcript
Joris: Zullen we naar de bioscoop gaan?
Fleur: Ja, leuk! Vanavond om acht uur? -
Vraag 40 van 50
Toon antwoord
Antwoord: D. On Saturday
Ik kom op zaterdag terug means I’m coming back on Saturday. She leaves on Monday (ik vertrek op maandag).
-
Vraag 41 van 50
Toon antwoord
Antwoord: C. May I sit here?
Mag ik ...? asks for permission: May I ...? Must is a different verb in Dutch (moeten).
-
Vraag 42 van 50
Toon antwoord
Antwoord: C. kan
With hij, zij and het the form is kan: hij kan goed koken.
-
Vraag 43 van 50
Toon antwoord
Antwoord: D. willen
With wij, jullie and zij (they), the form is willen: wij willen graag helpen.
-
Vraag 44 van 50
Toon antwoord
Antwoord: D. Kunt u mij helpen?
Kunt comes first, then u, then mij. The infinitive helpen goes to the end.
-
Vraag 45 van 50
Toon antwoord
Antwoord: B. Zal ik je tas dragen?
Use Zal ik ...? to offer help. The infinitive dragen goes to the end.
-
Vraag 46 van 50
Toon antwoord
Antwoord: D. Ja, graag.
Ja, graag means yes, please. Graag gedaan means you’re welcome, which does not fit here.
-
Vraag 47 van 50
Toon antwoord
Antwoord: C. Zou u het raam dicht kunnen doen?
Zou u ... kunnen? (Could you ...?) is the most polite way to ask. The other options are orders.
-
Vraag 48 van 50
Toon antwoord
Antwoord: A. To borrow the man’s pen
She asks mag ik uw pen even lenen? Lenen means to borrow, so she wants to borrow his pen.
Transcript
Vrouw: Pardon, mag ik uw pen even lenen?
Man: Ja, natuurlijk. -
Vraag 49 van 50
Toon antwoord
Antwoord: D. No, he can manage.
Bram says nee, dank je, het gaat wel: no, thanks, I can manage.
Transcript
Lucas: Zal ik je helpen?
Bram: Nee, dank je, het gaat wel. -
Vraag 50 van 50
Toon antwoord
Antwoord: C. Drinking water
U mag wel water drinken means you may drink water. Eating and other drinks are not allowed (niet eten of drinken).
Toetsenbord: 1–4 om te antwoorden, Enter voor de volgende vraag.