Basic Dutch in 7 Days (Fast Track): Home, Food and drink, Shopping and prices and more

Themaquiz zonder tijdslimiet: 40 vragen over Home, Food and drink, Shopping and prices and more, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.

  • Cursus
  • Nederland
  • 300 vragen
  • Gecontroleerd op 13 oktober 2026
  • Taalkundig nagekeken op 13 oktober 2026
Begin met de lessenBasic Dutch: 30 Lessons: ongeveer 749 minuten leestijd. Elke testvraag wordt in de lessen behandeld.

Dag 3: Home, Food and drink, Shopping and prices and more

  1. Vraag 1 van 40

    What is “de keuken”?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. the kitchen

    De keuken is the kitchen. It is not a cake: cake is taart or cake in Dutch.

  2. Vraag 2 van 40

    In which room do you usually sleep?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. de slaapkamer

    Slapen means “to sleep”, so de slaapkamer is the bedroom.

  3. Vraag 3 van 40

    Complete: “Er ___ twee badkamers.”
    Toon antwoord

    Antwoord: C. zijn

    Use er zijn for more than one thing: Er zijn twee badkamers.

  4. Vraag 4 van 40

    Complete: “Er ___ een tuin.”
    Toon antwoord

    Antwoord: A. is

    Use er is for one thing: Er is een tuin.

  5. Vraag 5 van 40

    In a living room, what is “de bank”?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. the sofa

    In a home, de bank is the sofa. The same word also means a bank for money.

  6. Vraag 6 van 40

    What is the plural of “de stoel”?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. de stoelen

    Most nouns add -en in the plural: stoel → stoelen. All plurals use de.

  7. Vraag 7 van 40

    Choose the correct question: “Is there a balcony?”
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Is er een balkon?

    In a question, the verb comes first: Is er een balkon? Use is (not zijn) for one thing.

  8. Vraag 8 van 40

    Read the text. Which sentence is true?

    Ik woon in een klein appartement in Utrecht. Er zijn twee slaapkamers, een woonkamer, een keuken en een badkamer. Er is een balkon, maar er is geen tuin.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. There is no garden.

    The text says “er is geen tuin”: there is no garden. There is a balcony and the apartment is small.

  9. Vraag 9 van 40

    Listen. How many bedrooms are there?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ons huis heeft drie kamers: een woonkamer en twee slaapkamers. Er is ook een keuken.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. Two

    Twee slaapkamers = two bedrooms. In Dutch, kamers counts the living room and the bedrooms, not the kitchen: three rooms in total.

    Transcript

    Ons huis heeft drie kamers: een woonkamer en twee slaapkamers. Er is ook een keuken.

  10. Vraag 10 van 40

    Listen. What does the home have?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Mark: Is er een tuin?
    Lisa: Nee, maar er is een groot balkon.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. A big balcony

    Lisa says nee (no garden), “maar er is een groot balkon”: but there is a big balcony.

    Transcript

    Mark: Is er een tuin?
    Lisa: Nee, maar er is een groot balkon.

  11. Vraag 11 van 40

    What is “de kaas”?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. the cheese

    De kaas is the cheese. Bread is het brood.

  12. Vraag 12 van 40

    Which article goes with “brood”?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. het

    Brood is a het-word: het brood. Learn every noun with its article.

  13. Vraag 13 van 40

    What is the plural of “het ei”?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. de eieren

    Ei has an irregular plural: eieren. All plurals use de.

  14. Vraag 14 van 40

    What is the plural of “de banaan”?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. de bananen

    Banaan adds -en. The long a keeps its sound with one letter: ba-na-nen.

  15. Vraag 15 van 40

    What is the plural of “het broodje”?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. de broodjes

    Words that end in -je add -s: broodjes. Plurals always use de.

  16. Vraag 16 van 40

    Choose the correct sentence: “I am hungry.”
    Toon antwoord

    Antwoord: A. Ik heb honger.

    Dutch uses hebben for hunger: Ik heb honger (I have hunger).

  17. Vraag 17 van 40

    Complete: “Ik drink ___ thee.” (I like drinking tea.)
    Toon antwoord

    Antwoord: A. graag

    Graag after the verb means you like doing it: Ik drink graag thee.

  18. Vraag 18 van 40

    Listen. What does the speaker eat?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ik eet geen vlees, maar ik eet wel vis.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. Fish, but not meat

    Geen vlees = no meat. “Maar ik eet wel vis” = but I do eat fish.

    Transcript

    Ik eet geen vlees, maar ik eet wel vis.

  19. Vraag 19 van 40

    Listen. What does Daan want?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Sara: Wil je koffie?
    Daan: Nee, dank je. Ik heb dorst. Mag ik een glas water?

    Toon antwoord

    Antwoord: A. A glass of water

    Daan says no to coffee. He is thirsty (Ik heb dorst) and asks for een glas water.

    Transcript

    Sara: Wil je koffie?
    Daan: Nee, dank je. Ik heb dorst. Mag ik een glas water?

  20. Vraag 20 van 40

    Read the shopping list. Which drink is on the list?

    Boodschappenlijst
    - 1 brood
    - kaas
    - 6 eieren
    - 1 liter melk
    - 4 appels
    - groente

    Toon antwoord

    Antwoord: B. Milk

    “1 liter melk”: milk is the only drink on the list.

  21. Vraag 21 van 40

    What does “Hoeveel kost dit?” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. How much does this cost?

    Hoeveel means “how much” and kosten means “to cost”.

  22. Vraag 22 van 40

    What does “duur” mean in a shop?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. expensive

    Duur means expensive. Cheap is goedkoop.

  23. Vraag 23 van 40

    How do you say € 6,40?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. zes euro veertig

    Say the euros, then the cents: zes euro veertig. Euro does not change in the plural.

  24. Vraag 24 van 40

    Complete: “De appels ___ twee euro.”
    Toon antwoord

    Antwoord: A. kosten

    Appels is plural, so use kosten. With one thing, use kost.

  25. Vraag 25 van 40

    You want to pay with your bank card. What do you ask?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Kan ik pinnen?

    Pinnen means paying with a bank card. Passen means trying on clothes.

  26. Vraag 26 van 40

    The cashier asks “Anders nog iets?” Choose a good answer.
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Nee, dat is alles.

    Anders nog iets? means “Anything else?”. Dat is alles means “That’s all.”

  27. Vraag 27 van 40

    What does “Mag ik dit passen?” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Can I try this on?

    Passen means to try on (clothes). Paying by card is pinnen.

  28. Vraag 28 van 40

    Listen. How much does the customer pay?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Dat is samen zeventien euro vijftig.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. € 17,50

    Zeventien euro vijftig = € 17,50. Zeventig would be 70.

    Transcript

    Dat is samen zeventien euro vijftig.

  29. Vraag 29 van 40

    Listen. Which size does the shop have?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Klant: Heeft u dit in maat L?
    Verkoper: Nee, sorry, alleen in maat M.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. M

    The customer asks for L, but the shop has alleen (only) maat M.

    Transcript

    Klant: Heeft u dit in maat L?
    Verkoper: Nee, sorry, alleen in maat M.

  30. Vraag 30 van 40

    Listen. How does the customer want to pay?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Kassière: Dat is twaalf euro. Wilt u een tasje?
    Klant: Nee, dank u. Kan ik pinnen?

    Toon antwoord

    Antwoord: A. By bank card

    Kan ik pinnen? means “Can I pay by card?”. The customer also says no to a bag (tasje).

    Transcript

    Kassière: Dat is twaalf euro. Wilt u een tasje?
    Klant: Nee, dank u. Kan ik pinnen?

  31. Vraag 31 van 40

    What does “de rekening” mean in a café?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. the bill

    De rekening is the bill. Ask: Mag ik de rekening, alstublieft?

  32. Vraag 32 van 40

    Which is the most polite way to order?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Ik wil graag een koffie.

    Adding graag makes it polite: Ik wil graag… (I would like…).

  33. Vraag 33 van 40

    Complete: “___ ik een thee, alstublieft?”
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Mag

    Mag ik…? means “May I have…?”. It is a polite way to ask for something.

  34. Vraag 34 van 40

    The waiter puts your coffee on the table and says “Alstublieft.” What does it mean here?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Here you are.

    When someone gives you something, alstublieft means “here you are”.

  35. Vraag 35 van 40

    You say “Dank u wel.” What does the waiter answer?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Graag gedaan.

    Graag gedaan means “you’re welcome”, the usual reply to thank you.

  36. Vraag 36 van 40

    What is “koffie verkeerd”?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. a milky coffee

    Koffie verkeerd (“wrong coffee”) is coffee with a lot of hot milk.

  37. Vraag 37 van 40

    Choose the correct extra-polite sentence.
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ik zou graag een stuk taart willen.

    Ik zou graag … willen: zou is the second word and willen goes to the end of the sentence.

  38. Vraag 38 van 40

    Listen. What does the customer order?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ober: Goedemiddag, wat mag het zijn?
    Klant: Ik wil graag een cappuccino en een stuk appeltaart met slagroom.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. A cappuccino and apple pie with cream

    The customer orders een cappuccino and een stuk appeltaart met slagroom (with whipped cream).

    Transcript

    Ober: Goedemiddag, wat mag het zijn?
    Klant: Ik wil graag een cappuccino en een stuk appeltaart met slagroom.

  39. Vraag 39 van 40

    Listen. How much is the bill?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Klant: Mag ik de rekening, alstublieft?
    Ober: Natuurlijk. Dat is acht euro twintig.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. € 8,20

    Acht euro twintig = € 8,20.

    Transcript

    Klant: Mag ik de rekening, alstublieft?
    Ober: Natuurlijk. Dat is acht euro twintig.

  40. Vraag 40 van 40

    Read the menu. You order a tea and apple pie with whipped cream. How much do you pay?

    Café De Hoek
    Koffie € 2,80
    Koffie verkeerd € 3,30
    Thee € 2,50
    Appeltaart € 3,90
    Slagroom + € 0,60

    Toon antwoord

    Antwoord: A. € 7,00

    Thee € 2,50 + appeltaart € 3,90 + slagroom € 0,60 = € 7,00.

Andere plannen voor deze cursus