Basic Dutch in 30 Days: Home
Themaquiz zonder tijdslimiet: 10 vragen over Home, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.
Dag 9: Home
-
Vraag 1 van 10
Toon antwoord
Antwoord: B. the kitchen
De keuken is the kitchen. It is not a cake: cake is taart or cake in Dutch.
-
Vraag 2 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. de slaapkamer
Slapen means “to sleep”, so de slaapkamer is the bedroom.
-
Vraag 3 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. zijn
Use er zijn for more than one thing: Er zijn twee badkamers.
-
Vraag 4 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. is
Use er is for one thing: Er is een tuin.
-
Vraag 5 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. the sofa
In a home, de bank is the sofa. The same word also means a bank for money.
-
Vraag 6 van 10
Toon antwoord
Antwoord: D. de stoelen
Most nouns add -en in the plural: stoel → stoelen. All plurals use de.
-
Vraag 7 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. Is er een balkon?
In a question, the verb comes first: Is er een balkon? Use is (not zijn) for one thing.
-
Vraag 8 van 10
Toon antwoord
Antwoord: D. There is no garden.
The text says “er is geen tuin”: there is no garden. There is a balcony and the apartment is small.
-
Vraag 9 van 10
Toon antwoord
Antwoord: D. Two
Twee slaapkamers = two bedrooms. In Dutch, kamers counts the living room and the bedrooms, not the kitchen: three rooms in total.
Transcript
Ons huis heeft drie kamers: een woonkamer en twee slaapkamers. Er is ook een keuken.
-
Vraag 10 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. A big balcony
Lisa says nee (no garden), “maar er is een groot balkon”: but there is a big balcony.
Transcript
Mark: Is er een tuin?
Lisa: Nee, maar er is een groot balkon.
Toetsenbord: 1–4 om te antwoorden, Enter voor de volgende vraag.