Basic Dutch in 30 Days: Describing people

Themaquiz zonder tijdslimiet: 10 vragen over Describing people, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.

  • Cursus
  • Nederland
  • 300 vragen
  • Gecontroleerd op 13 oktober 2026
  • Taalkundig nagekeken op 13 oktober 2026
Begin met de lessenBasic Dutch: 30 Lessons: ongeveer 750 minuten leestijd. Elke testvraag wordt in de lessen behandeld.

Dag 8: Describing people

  1. Vraag 1 van 10

    What does “aardig” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. kind, nice

    Aardig means kind or nice: Ze is erg aardig.

  2. Vraag 2 van 10

    Complete: “De vrouw is ___.” (young)
    Toon antwoord

    Antwoord: B. jong

    After a verb like is, the adjective has no ending: De vrouw is jong. Jongen means “boy”.

  3. Vraag 3 van 10

    Complete: “Dat is een ___ vrouw.” (kind)
    Toon antwoord

    Antwoord: D. aardige

    Before a de-word (de vrouw), add -e: een aardige vrouw.

  4. Vraag 4 van 10

    Complete: “Ze wonen in een ___ huis.” (big)
    Toon antwoord

    Antwoord: A. groot

    Huis is a het-word. With een + a het-word, the adjective has no -e: een groot huis.

  5. Vraag 5 van 10

    Complete: “Het ___ huis is van mijn opa.” (big)
    Toon antwoord

    Antwoord: D. grote

    With het (the), add -e: het grote huis. Groot loses one o: grote.

  6. Vraag 6 van 10

    What does the Dutch word “slim” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. clever

    Slim is a false friend: it means clever. “Slim” (thin) is slank in Dutch.

  7. Vraag 7 van 10

    Choose the correct sentence.
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Hij heeft blauwe ogen.

    Ogen (eyes) is plural, so the adjective takes -e: blauwe ogen. Use hebben (heeft) for eyes and hair.

  8. Vraag 8 van 10

    Put the words in order: heeft / ze / haar / lang
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Ze heeft lang haar.

    Subject (ze) + verb (heeft) + the rest (lang haar). The adjective comes before the noun.

  9. Vraag 9 van 10

    Listen. What does the brother look like?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Mijn broer is lang en slank. Hij heeft blond haar.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. Tall and slim, with blond hair

    Lang means tall (for people) and slank means slim. He has blond haar (blond hair).

    Transcript

    Mijn broer is lang en slank. Hij heeft blond haar.

  10. Vraag 10 van 10

    Listen. Which sentence about the colleague is true?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ruben: Hoe ziet je collega eruit?
    Femke: Ze is jong en heel grappig. Ze heeft lang haar.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. She is young and funny.

    Femke says “Ze is jong en heel grappig”: young and very funny. She has long hair (lang haar).

    Transcript

    Ruben: Hoe ziet je collega eruit?
    Femke: Ze is jong en heel grappig. Ze heeft lang haar.

Andere plannen voor deze cursus