Basic Dutch in 30 Days: Plans

Themaquiz zonder tijdslimiet: 10 vragen over Plans, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.

  • Cursus
  • Nederland
  • 300 vragen
  • Gecontroleerd op 13 oktober 2026
  • Taalkundig nagekeken op 13 oktober 2026
Begin met de lessenBasic Dutch: 30 Lessons: ongeveer 750 minuten leestijd. Elke testvraag wordt in de lessen behandeld.

Dag 24: Plans

  1. Vraag 1 van 10

    What does “morgen” mean in “Ik werk morgen”?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. tomorrow

    Morgen means tomorrow. Yesterday is gisteren, today is vandaag and next week is volgende week.

  2. Vraag 2 van 10

    How do you say “I’m going to swim tomorrow”?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ik ga morgen zwemmen.

    Use ga (the form for ik) and put the infinitive zwemmen at the end.

  3. Vraag 3 van 10

    Fill the gap: Wij ___ volgende week naar Parijs.
    Toon antwoord

    Antwoord: D. gaan

    With wij, jullie and zij (they), the form is gaan: wij gaan naar Parijs.

  4. Vraag 4 van 10

    Fill the gap: ___ jij morgen werken?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ga

    When jij comes after the verb, drop the -t: Ga jij morgen werken?

  5. Vraag 5 van 10

    Which sentence is correct?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. Morgen werk ik thuis.

    When a time word comes first, the verb is second and the subject comes after it: Morgen werk ik thuis.

  6. Vraag 6 van 10

    Which time words mean “next week”?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. volgende week

    Volgende week is next week. Vorige week is last week, deze week is this week and elke week is every week.

  7. Vraag 7 van 10

    Your friend asks: “Zullen we zaterdag fietsen?” You want to go. What do you say?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Ja, leuk!

    Ja, leuk! means yes, that sounds fun. Nee, sorry, ik kan niet says no.

  8. Vraag 8 van 10

    Listen. What is Anouk going to do this weekend?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Ruben: Wat ga je dit weekend doen?
    Anouk: Ik ga naar mijn ouders in Groningen.

    Toon antwoord

    Antwoord: B. Go to her parents in Groningen

    Anouk says ik ga naar mijn ouders in Groningen: I’m going to my parents in Groningen.

    Transcript

    Ruben: Wat ga je dit weekend doen?
    Anouk: Ik ga naar mijn ouders in Groningen.

  9. Vraag 9 van 10

    Listen. When are they going to the cinema?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Joris: Zullen we naar de bioscoop gaan?
    Fleur: Ja, leuk! Vanavond om acht uur?

    Toon antwoord

    Antwoord: A. Tonight at eight

    Fleur says vanavond om acht uur: tonight at eight o’clock.

    Transcript

    Joris: Zullen we naar de bioscoop gaan?
    Fleur: Ja, leuk! Vanavond om acht uur?

  10. Vraag 10 van 10

    Read the message. When does Sanne come back?

    Hoi Daan, volgende week ga ik naar Spanje. Ik vertrek op maandag en ik kom op zaterdag terug. Kun jij mijn planten water geven? Groetjes, Sanne

    Toon antwoord

    Antwoord: D. On Saturday

    Ik kom op zaterdag terug means I’m coming back on Saturday. She leaves on Monday (ik vertrek op maandag).

Andere plannen voor deze cursus