Basic Dutch in 30 Days: Clothes and colours
Themaquiz zonder tijdslimiet: 10 vragen over Clothes and colours, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.
Dag 20: Clothes and colours
-
Vraag 1 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. the coat
De jas is a coat or jacket. A dress is de jurk, a skirt is de rok and a sweater is de trui.
-
Vraag 2 van 10
Toon antwoord
Antwoord: D. yellow
Geel is yellow. Green is groen, grey is grijs and blue is blauw.
-
Vraag 3 van 10
Toon antwoord
Antwoord: B. zwarte
Jas is a de-word, so the adjective gets -e, also after een: een zwarte jas.
-
Vraag 4 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. wit
Overhemd is a het-word. After een with a singular het-word, the adjective has no -e: een wit overhemd.
-
Vraag 5 van 10
Toon antwoord
Antwoord: D. rode
After het, the adjective gets -e. Rood keeps its long sound with one o: het rode T-shirt.
-
Vraag 6 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. De jurk is blauw.
After is or zijn, the adjective has no -e: de jurk is blauw.
-
Vraag 7 van 10
Toon antwoord
Antwoord: B. Ik heb maat 38.
Maat means size. You answer with your size: Ik heb maat 38.
-
Vraag 8 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. Hij is te klein.
Te klein means too small. Use hij for a de-word like de jas. Te groot means too big.
-
Vraag 9 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. the sweater in green
Lotte asks hebt u deze trui ook in het groen? De trui is a sweater and groen is green.
Transcript
Lotte: Hebt u deze trui ook in het groen?
Verkoper: Ja, in maat 36 en 38. -
Vraag 10 van 10
Toon antwoord
Antwoord: D. black pants, a white shirt and brown shoes
The speaker says een zwarte broek (black pants), een wit overhemd (a white shirt) and bruine schoenen (brown shoes).
Transcript
Daan draagt een zwarte broek, een wit overhemd en bruine schoenen.
Toetsenbord: 1–4 om te antwoorden, Enter voor de volgende vraag.