Basic Dutch in 30 Days: Weather and seasons
Themaquiz zonder tijdslimiet: 10 vragen over Weather and seasons, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.
Dag 15: Weather and seasons
-
Vraag 1 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. It is raining.
Regenen means “to rain”: het regent. Snowing is het sneeuwt.
-
Vraag 2 van 10
Toon antwoord
Antwoord: D. autumn
De herfst is autumn (also called het najaar). Spring is de lente.
-
Vraag 3 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. It is windy.
Waaien means the wind blows: het waait = it is windy. Freezing is het vriest.
-
Vraag 4 van 10
Toon antwoord
Antwoord: D. In
Use in de with seasons: in de winter, in de zomer.
-
Vraag 5 van 10
Toon antwoord
Antwoord: B. Vandaag regent het.
When a sentence starts with a time word, the verb comes second: Vandaag regent het.
-
Vraag 6 van 10
Toon antwoord
Antwoord: D. lovely weather
Lekker usually means tasty, but lekker weer means lovely, pleasant weather.
-
Vraag 7 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. Rainy
Een paraplu is an umbrella. You take one when it rains.
-
Vraag 8 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. −2 °C and snowing
Min twee graden is minus 2 degrees, and het sneeuwt means it is snowing.
Transcript
Het is vandaag min twee graden en het sneeuwt.
-
Vraag 9 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. Sunny and 25 degrees
De zon schijnt = the sun is shining. Vijfentwintig = 5 + 20 = 25 degrees.
Transcript
Morgen wordt het mooi weer. De zon schijnt en het wordt vijfentwintig graden.
-
Vraag 10 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. Spring
Tom says “ik hou van de lente”: I love spring (de lente). Then it is not too warm.
Transcript
Eva: Hou je van de zomer?
Tom: Nee, ik hou van de lente. Dan is het niet te warm.
Toetsenbord: 1–4 om te antwoorden, Enter voor de volgende vraag.