Basic Dutch in 30 Days: Food and drink
Themaquiz zonder tijdslimiet: 10 vragen over Food and drink, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.
Dag 10: Food and drink
-
Vraag 1 van 10
Toon antwoord
Antwoord: D. the cheese
De kaas is the cheese. Bread is het brood.
-
Vraag 2 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. het
Brood is a het-word: het brood. Learn every noun with its article.
-
Vraag 3 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. de eieren
Ei has an irregular plural: eieren. All plurals use de.
-
Vraag 4 van 10
Toon antwoord
Antwoord: B. de bananen
Banaan adds -en. The long a keeps its sound with one letter: ba-na-nen.
-
Vraag 5 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. de broodjes
Words that end in -je add -s: broodjes. Plurals always use de.
-
Vraag 6 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. Ik heb honger.
Dutch uses hebben for hunger: Ik heb honger (I have hunger).
-
Vraag 7 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. graag
Graag after the verb means you like doing it: Ik drink graag thee.
-
Vraag 8 van 10
Toon antwoord
Antwoord: C. Fish, but not meat
Geen vlees = no meat. “Maar ik eet wel vis” = but I do eat fish.
Transcript
Ik eet geen vlees, maar ik eet wel vis.
-
Vraag 9 van 10
Toon antwoord
Antwoord: A. A glass of water
Daan says no to coffee. He is thirsty (Ik heb dorst) and asks for een glas water.
Transcript
Sara: Wil je koffie?
Daan: Nee, dank je. Ik heb dorst. Mag ik een glas water? -
Vraag 10 van 10
Toon antwoord
Antwoord: B. Milk
“1 liter melk”: milk is the only drink on the list.
Toetsenbord: 1–4 om te antwoorden, Enter voor de volgende vraag.