Basic Dutch in 10 Days: In town, Getting around and Weather and seasons

Themaquiz zonder tijdslimiet: 30 vragen over In town, Getting around and Weather and seasons, met een uitleg na elk antwoord. Vragen en antwoorden worden elke keer gehusseld.

  • Cursus
  • Nederland
  • 300 vragen
  • Gecontroleerd op 13 oktober 2026
  • Taalkundig nagekeken op 13 oktober 2026
Begin met de lessenBasic Dutch: 30 Lessons: ongeveer 750 minuten leestijd. Elke testvraag wordt in de lessen behandeld.

Dag 5: In town, Getting around and Weather and seasons

  1. Vraag 1 van 30

    What is “de apotheek”?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. the pharmacy

    De apotheek is the pharmacy, where you buy medicine. The hospital is het ziekenhuis.

  2. Vraag 2 van 30

    What does “rechtdoor” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. straight on

    Rechtdoor means straight on. Rechtsaf means turn right.

  3. Vraag 3 van 30

    What does “Ga linksaf” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Turn left.

    Linksaf means turn left. Links on its own means on the left.

  4. Vraag 4 van 30

    What does “Hoe kom ik bij het station?” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. How do I get to the station?

    Hoe kom ik bij…? asks the way to a place.

  5. Vraag 5 van 30

    Complete: “Neem de ___ straat links.” (first)
    Toon antwoord

    Antwoord: D. eerste

    First is eerste (an ordinal number): Neem de eerste straat links.

  6. Vraag 6 van 30

    Complete: “Het museum is ___ de kerk.” (opposite)
    Toon antwoord

    Antwoord: A. tegenover

    Tegenover means opposite. Naast means next to.

  7. Vraag 7 van 30

    Put the words in order: is / de bank / naast / de supermarkt
    Toon antwoord

    Antwoord: A. De bank is naast de supermarkt.

    Subject (de bank) + verb (is) + place (naast de supermarkt).

  8. Vraag 8 van 30

    Read the message. Where is the house?

    Hoi Ines! Mijn huis is dicht bij het station. Ga bij het station rechtsaf. Neem de tweede straat links. Mijn huis is op de hoek, naast de bakker.

    Toon antwoord

    Antwoord: D. On the corner, next to the baker

    The message says “op de hoek, naast de bakker”: on the corner, next to the baker.

  9. Vraag 9 van 30

    Listen. How does the tourist get to the pharmacy?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Toerist: Pardon, waar is de apotheek?
    Man: Ga rechtdoor en neem dan de eerste straat rechts.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. Straight on, then the first street on the right

    The man says rechtdoor (straight on) and then de eerste straat rechts (the first street on the right).

    Transcript

    Toerist: Pardon, waar is de apotheek?
    Man: Ga rechtdoor en neem dan de eerste straat rechts.

  10. Vraag 10 van 30

    Listen. What does the speaker say about the hospital?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Het ziekenhuis? Dat is ver. Neem de bus.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. It is far, so take the bus.

    Dat is ver means it is far. Neem de bus means take the bus.

    Transcript

    Het ziekenhuis? Dat is ver. Neem de bus.

  11. Vraag 11 van 30

    What is “de fiets”?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. the bike

    De fiets is the bike (bicycle). The car is de auto.

  12. Vraag 12 van 30

    Complete: “Ik ga ___ de trein naar Amsterdam.”
    Toon antwoord

    Antwoord: A. met

    To say how you travel, use met de: met de trein, met de bus.

  13. Vraag 13 van 30

    What does “Enkele reis of retour?” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. One way or return?

    Enkele reis is a one-way ticket and retour is a return ticket.

  14. Vraag 14 van 30

    What does “De trein heeft vertraging” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. The train is delayed.

    Vertraging means delay. The train has a delay: it is late.

  15. Vraag 15 van 30

    At a station, what is “het spoor”?
    Toon antwoord

    Antwoord: B. the platform (track)

    Spoor is the track or platform: Van welk spoor vertrekt de trein?

  16. Vraag 16 van 30

    Complete: “De kat ligt ___ de tafel.” (under)
    Toon antwoord

    Antwoord: A. onder

    Onder means under. Op means on.

  17. Vraag 17 van 30

    The bus stop is between the bank and the church. Choose the correct sentence.
    Toon antwoord

    Antwoord: A. De halte is tussen de bank en de kerk.

    Tussen means between: tussen de bank en de kerk.

  18. Vraag 18 van 30

    Listen. Which ticket does the person want?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Een retour naar Leiden, alstublieft.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. A return ticket to Leiden

    Retour means a return ticket, and the person wants to go to Leiden.

    Transcript

    Een retour naar Leiden, alstublieft.

  19. Vraag 19 van 30

    Listen. Which sentence is true?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    De trein naar Rotterdam vertrekt van spoor zeven. De trein heeft tien minuten vertraging.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. The train is 10 minutes late.

    The train leaves from spoor zeven (platform 7) and has tien minuten vertraging (a 10-minute delay).

    Transcript

    De trein naar Rotterdam vertrekt van spoor zeven. De trein heeft tien minuten vertraging.

  20. Vraag 20 van 30

    Listen. How does Mila go to work?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Jan: Ga je met de bus naar je werk?
    Mila: Nee, ik ga met de fiets.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. By bike

    Mila says no to the bus: “ik ga met de fiets” (by bike).

    Transcript

    Jan: Ga je met de bus naar je werk?
    Mila: Nee, ik ga met de fiets.

  21. Vraag 21 van 30

    What does “Het regent” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. It is raining.

    Regenen means “to rain”: het regent. Snowing is het sneeuwt.

  22. Vraag 22 van 30

    Which season is “de herfst”?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. autumn

    De herfst is autumn (also called het najaar). Spring is de lente.

  23. Vraag 23 van 30

    What does “Het waait” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: A. It is windy.

    Waaien means the wind blows: het waait = it is windy. Freezing is het vriest.

  24. Vraag 24 van 30

    Complete: “___ de winter is het koud.”
    Toon antwoord

    Antwoord: D. In

    Use in de with seasons: in de winter, in de zomer.

  25. Vraag 25 van 30

    Choose the correct sentence.
    Toon antwoord

    Antwoord: B. Vandaag regent het.

    When a sentence starts with a time word, the verb comes second: Vandaag regent het.

  26. Vraag 26 van 30

    What does “lekker weer” mean?
    Toon antwoord

    Antwoord: D. lovely weather

    Lekker usually means tasty, but lekker weer means lovely, pleasant weather.

  27. Vraag 27 van 30

    Your friend says “Neem een paraplu mee.” What is the weather probably like?
    Toon antwoord

    Antwoord: C. Rainy

    Een paraplu is an umbrella. You take one when it rains.

  28. Vraag 28 van 30

    Listen. What is the weather like today?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Het is vandaag min twee graden en het sneeuwt.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. −2 °C and snowing

    Min twee graden is minus 2 degrees, and het sneeuwt means it is snowing.

    Transcript

    Het is vandaag min twee graden en het sneeuwt.

  29. Vraag 29 van 30

    Listen. What will the weather be like tomorrow?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Morgen wordt het mooi weer. De zon schijnt en het wordt vijfentwintig graden.

    Toon antwoord

    Antwoord: A. Sunny and 25 degrees

    De zon schijnt = the sun is shining. Vijfentwintig = 5 + 20 = 25 degrees.

    Transcript

    Morgen wordt het mooi weer. De zon schijnt en het wordt vijfentwintig graden.

  30. Vraag 30 van 30

    Listen. Which season does Tom like?
    Luister en antwoord daarna. Het transcript verschijnt na je antwoord.
    Geen geluid? Lees de tekst

    Eva: Hou je van de zomer?
    Tom: Nee, ik hou van de lente. Dan is het niet te warm.

    Toon antwoord

    Antwoord: C. Spring

    Tom says “ik hou van de lente”: I love spring (de lente). Then it is not too warm.

    Transcript

    Eva: Hou je van de zomer?
    Tom: Nee, ik hou van de lente. Dan is het niet te warm.

Andere plannen voor deze cursus