Basic Dutch in 7 Days (Fast Track): Days and dates, Telling the time, Family and more

Themenquiz ohne Zeitlimit: 40 Fragen zu Days and dates, Telling the time, Family and more, mit einer Erklärung nach jeder Antwort. Fragen und Antworten werden jedes Mal neu gemischt.

  • Kurs
  • Niederlande
  • 300 Fragen
  • Geprüft am 13. Oktober 2026
  • Sprachlich geprüft am 13. Oktober 2026
Beginnen Sie mit den LektionenBasic Dutch: 30 Lessons: etwa 749 Minuten Lesezeit. Jede Testfrage wird in den Lektionen behandelt.

Tag 2: Days and dates, Telling the time, Family and more

  1. Frage 1 von 40

    What day is “woensdag”?
    Antwort anzeigen

    Antwort: B. Wednesday

    Woensdag is Wednesday. Dinsdag is Tuesday and donderdag is Thursday.

  2. Frage 2 von 40

    Which day comes after vrijdag?
    Antwort anzeigen

    Antwort: D. zaterdag

    The order is … donderdag, vrijdag, zaterdag, zondag.

  3. Frage 3 von 40

    In Dutch, which words start with a small letter?
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. Days and months

    Days and months start with a small letter in Dutch: maandag, mei. Names, countries and languages start with a capital.

  4. Frage 4 von 40

    Complete: “Ik ben ___ augustus jarig.”
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. in

    Use in with months: in augustus. Use op with days and dates: op 5 augustus.

  5. Frage 5 von 40

    Complete: “Ik ben ___ dinsdag jarig.”
    Antwort anzeigen

    Antwort: D. op

    Use op with days: op dinsdag (on Tuesday).

  6. Frage 6 von 40

    What is the Dutch word for “3rd”?
    Antwort anzeigen

    Antwort: D. derde

    3rd is derde (written 3e). Dertiende is 13th.

  7. Frage 7 von 40

    A form says “Datum: 04-07-2026”. What date is it?
    Antwort anzeigen

    Antwort: C. 4 July 2026

    Dutch dates are written day-month-year, so 04-07 is 4 July.

  8. Frage 8 von 40

    Listen. When is the speaker’s birthday?
    Hören Sie zu und antworten Sie dann. Das Transkript erscheint nach Ihrer Antwort.
    Kein Ton? Lesen Sie den Text

    Ik ben jarig op tien april.

    Antwort anzeigen

    Antwort: A. 10 April

    Tien april = 10 April. Jarig zijn means it is your birthday.

    Transkript

    Ik ben jarig op tien april.

  9. Frage 9 von 40

    Listen. What day is it today?
    Hören Sie zu und antworten Sie dann. Das Transkript erscheint nach Ihrer Antwort.
    Kein Ton? Lesen Sie den Text

    Sanne: Welke dag is het vandaag?
    Bram: Vandaag is het donderdag. Morgen is het vrijdag!

    Antwort anzeigen

    Antwort: D. Thursday

    Bram says vandaag (today) is donderdag (Thursday). Morgen (tomorrow) is vrijdag.

    Transkript

    Sanne: Welke dag is het vandaag?
    Bram: Vandaag is het donderdag. Morgen is het vrijdag!

  10. Frage 10 von 40

    Read the message. When is Lotte’s birthday?

    Hoi Sam! Het feest is op zaterdag 14 juni. Kom je ook? Zondag 15 juni ben ik jarig! Groetjes, Lotte

    Antwort anzeigen

    Antwort: A. Sunday 15 June

    Lotte writes “Zondag 15 juni ben ik jarig”: Sunday 15 June. The party (het feest) is on Saturday.

  11. Frage 11 von 40

    What does “Hoe laat is het?” mean?
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. What time is it?

    Hoe laat is het? asks for the time. Laat on its own means “late”.

  12. Frage 12 von 40

    What time is “half vier”?
    Antwort anzeigen

    Antwort: C. 3:30

    Half vier means half an hour before four: 3:30.

  13. Frage 13 von 40

    How do you say 8:15?
    Antwort anzeigen

    Antwort: C. kwart over acht

    Kwart over means a quarter past: kwart over acht is 8:15. Kwart voor acht is 7:45.

  14. Frage 14 von 40

    How do you say 5:45?
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. kwart voor zes

    Kwart voor zes is a quarter to six: 5:45. Half zes is 5:30.

  15. Frage 15 von 40

    Complete: “De les begint ___ negen uur.”
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. om

    Use om for clock times: om negen uur (at nine o’clock).

  16. Frage 16 von 40

    What time is “tien voor half drie”?
    Antwort anzeigen

    Antwort: C. 2:20

    Half drie is 2:30. Ten minutes before that (tien voor) is 2:20.

  17. Frage 17 von 40

    Read the sign. When is the bakery closed all day?

    Bakkerij De Molen
    Openingstijden:
    ma t/m vr 7.30–18.00 uur
    za 8.00–17.00 uur
    zo gesloten

    Antwort anzeigen

    Antwort: B. On Sunday

    “zo gesloten” means closed on Sunday (zondag).

  18. Frage 18 von 40

    Read the sign. What time does the bakery open on Saturday?

    Bakkerij De Molen
    Openingstijden:
    ma t/m vr 7.30–18.00 uur
    za 8.00–17.00 uur
    zo gesloten

    Antwort anzeigen

    Antwort: B. 8:00

    “za 8.00–17.00 uur” means Saturday from 8:00 to 17:00.

  19. Frage 19 von 40

    Listen. What time is it?
    Hören Sie zu und antworten Sie dann. Das Transkript erscheint nach Ihrer Antwort.
    Kein Ton? Lesen Sie den Text

    Het is kwart voor elf.

    Antwort anzeigen

    Antwort: B. 10:45

    Kwart voor elf is a quarter to eleven: 10:45.

    Transkript

    Het is kwart voor elf.

  20. Frage 20 von 40

    Listen. When does the supermarket close?
    Hören Sie zu und antworten Sie dann. Das Transkript erscheint nach Ihrer Antwort.
    Kein Ton? Lesen Sie den Text

    Mila: Hoe laat gaat de supermarkt open?
    Jan: Om acht uur. En hij gaat om tien uur ’s avonds dicht.

    Antwort anzeigen

    Antwort: D. At 10 p.m.

    Jan says it closes (gaat dicht) om tien uur ’s avonds: at ten in the evening. It opens at eight. Hij (it) refers to de supermarkt, a de-word.

    Transkript

    Mila: Hoe laat gaat de supermarkt open?
    Jan: Om acht uur. En hij gaat om tien uur ’s avonds dicht.

  21. Frage 21 von 40

    What does “de zus” mean?
    Antwort anzeigen

    Antwort: C. the sister

    De zus is the sister. The brother is de broer and the son is de zoon.

  22. Frage 22 von 40

    What is the plural of “het kind”?
    Antwort anzeigen

    Antwort: B. de kinderen

    Kind has an irregular plural: kinderen. All plurals use de.

  23. Frage 23 von 40

    Complete: “Dit is ___ moeder.” (my)
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. mijn

    My is mijn: mijn moeder. Mij means “me”.

  24. Frage 24 von 40

    Complete: “Anna woont in Delft. ___ broer woont in Gouda.”
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. Haar

    Anna is a woman, so “her brother” is haar broer. Zijn means “his”.

  25. Frage 25 von 40

    Choose the correct phrase.
    Antwort anzeigen

    Antwort: B. onze kinderen

    Use onze before plurals and de-words, and ons before a singular het-word: ons kind, onze kinderen.

  26. Frage 26 von 40

    Choose the correct sentence: “I don’t have any children.”
    Antwort anzeigen

    Antwort: D. Ik heb geen kinderen.

    Use geen (no, not any) before a noun: Ik heb geen kinderen.

  27. Frage 27 von 40

    Your mother’s brother is your …
    Antwort anzeigen

    Antwort: C. oom

    Your parent’s brother is your oom (uncle). Tante is aunt.

  28. Frage 28 von 40

    Listen. How many sisters does the speaker have?
    Hören Sie zu und antworten Sie dann. Das Transkript erscheint nach Ihrer Antwort.
    Kein Ton? Lesen Sie den Text

    Ik heb een broer en twee zussen.

    Antwort anzeigen

    Antwort: B. Two

    Twee zussen = two sisters. The speaker also has een broer (one brother).

    Transkript

    Ik heb een broer en twee zussen.

  29. Frage 29 von 40

    Listen. Which sentence is true?
    Hören Sie zu und antworten Sie dann. Das Transkript erscheint nach Ihrer Antwort.
    Kein Ton? Lesen Sie den Text

    Eva: Ben je getrouwd?
    Ali: Ja. Mijn vrouw heet Sara. We hebben een dochter.

    Antwort anzeigen

    Antwort: C. Ali has a daughter.

    Ali says “We hebben een dochter” (we have a daughter). Sara is his wife (vrouw).

    Transkript

    Eva: Ben je getrouwd?
    Ali: Ja. Mijn vrouw heet Sara. We hebben een dochter.

  30. Frage 30 von 40

    Read the text. Who lives in Gent?

    Dit is mijn familie. Mijn vader heet Kees en mijn moeder heet Ineke. Ik heb een zus, Lies. Zij woont in Gent met haar man en hun twee kinderen.

    Antwort anzeigen

    Antwort: B. The writer’s sister and her family

    “Zij woont in Gent” is about Lies, the writer’s sister. She lives there with her husband and their two children.

  31. Frage 31 von 40

    What does “aardig” mean?
    Antwort anzeigen

    Antwort: D. kind, nice

    Aardig means kind or nice: Ze is erg aardig.

  32. Frage 32 von 40

    Complete: “De vrouw is ___.” (young)
    Antwort anzeigen

    Antwort: B. jong

    After a verb like is, the adjective has no ending: De vrouw is jong. Jongen means “boy”.

  33. Frage 33 von 40

    Complete: “Dat is een ___ vrouw.” (kind)
    Antwort anzeigen

    Antwort: D. aardige

    Before a de-word (de vrouw), add -e: een aardige vrouw.

  34. Frage 34 von 40

    Complete: “Ze wonen in een ___ huis.” (big)
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. groot

    Huis is a het-word. With een + a het-word, the adjective has no -e: een groot huis.

  35. Frage 35 von 40

    Complete: “Het ___ huis is van mijn opa.” (big)
    Antwort anzeigen

    Antwort: D. grote

    With het (the), add -e: het grote huis. Groot loses one o: grote.

  36. Frage 36 von 40

    What does the Dutch word “slim” mean?
    Antwort anzeigen

    Antwort: A. clever

    Slim is a false friend: it means clever. “Slim” (thin) is slank in Dutch.

  37. Frage 37 von 40

    Choose the correct sentence.
    Antwort anzeigen

    Antwort: D. Hij heeft blauwe ogen.

    Ogen (eyes) is plural, so the adjective takes -e: blauwe ogen. Use hebben (heeft) for eyes and hair.

  38. Frage 38 von 40

    Put the words in order: heeft / ze / haar / lang
    Antwort anzeigen

    Antwort: B. Ze heeft lang haar.

    Subject (ze) + verb (heeft) + the rest (lang haar). The adjective comes before the noun.

  39. Frage 39 von 40

    Listen. What does the brother look like?
    Hören Sie zu und antworten Sie dann. Das Transkript erscheint nach Ihrer Antwort.
    Kein Ton? Lesen Sie den Text

    Mijn broer is lang en slank. Hij heeft blond haar.

    Antwort anzeigen

    Antwort: A. Tall and slim, with blond hair

    Lang means tall (for people) and slank means slim. He has blond haar (blond hair).

    Transkript

    Mijn broer is lang en slank. Hij heeft blond haar.

  40. Frage 40 von 40

    Listen. Which sentence about the colleague is true?
    Hören Sie zu und antworten Sie dann. Das Transkript erscheint nach Ihrer Antwort.
    Kein Ton? Lesen Sie den Text

    Ruben: Hoe ziet je collega eruit?
    Femke: Ze is jong en heel grappig. Ze heeft lang haar.

    Antwort anzeigen

    Antwort: A. She is young and funny.

    Femke says “Ze is jong en heel grappig”: young and very funny. She has long hair (lang haar).

    Transkript

    Ruben: Hoe ziet je collega eruit?
    Femke: Ze is jong en heel grappig. Ze heeft lang haar.

Weitere Pläne für diesen Kurs